Sport in (post)koloniaal perspectief

NEC’s Antilliaanse voetbalhelden eind jaren vijftig

Sport in (post)koloniaal perspectief


Marjet Derks

Sergeant H. Veerkamp ergerde zich in 1922 zo aan de voetbalwedstrijd tussen Sparta en Juliana, die op het eerste sportveld van Curaçao, Mundo Nobo, gespeeld werd, dat hij een brief van drie kolommen naar de Amigoe di Curaçao stuurde. Sparta, dat grotendeels bestond uit spelers van het eiland, had er, schreef hij, weinig van begrepen. Het mooie voetbalspel werd verkracht, het spel ontaardde in een soort rugby en de ‘drommen kijk- en schreeuwlustigen’, niet gehinderd door spelkennis, wilden alleen maar Sparta zien winnen. Elke mislukte actie van de tegenstander kon rekenen op ‘kanibaalsgejuich’.

Opening van de ingezonden brief van Sergeant Veerkamp op 17 juni 1922. Bron: Delpher.

Sergeant Veerkamps brief laat zich lezen als een voorbeeld van hoe sport destijds een afspiegeling vormde van de complexe koloniale verhouding tussen Nederland en ‘de West’. Net als in Suriname stonden op Curaçao Nederlandse matrozen en garnizoensinfanteristen aan de basis van de gereglementeerde voetbalsport.[1] KNIL-officieren zoals Frederik ‘Frits’ Hirschmann, telg uit een bekend voetbalgeslacht, vonden sport een wezenlijk onderdeel van de militaire training. Hij was eerst in Nederlands-Indië en van 1909-1913 in Suriname gelegerd en in beide gevallen een actief voetbalpromotor. De Militaire Voetbalclub Juliana ontstond op zijn initiatief en was de eerste die een wat langer leven beschoren was.[2] Ook van de voetbalcultuur van buurland Brits-Guyana – dat al in 1902 een eigen Football Federation kende – ging een stimulerende werking uit. Het ging hierbij niet om zomaar wat tegen een rond object trappen, zoals al langer gebruikelijk was, maar om voetbal als ‘beschaafde’ sport, volgens de regels en standaarden die daarbij hoorden. Precies zo deden de Britten het, bij wie sport een succesvol onderdeel was van het opleggen van Britishness – een verzamelnaam voor een geheel van Engelse gewoonten, tradities en zelfbeelden. Het kennelijk ontbreken daarvan bij de spelers van Sparta tegenover het beschaafde Juliana vormde de kern van sergeant Veerkamps ergernis.

Naar sport in koloniaal perspectief is in Nederland in tegenstelling tot Engeland en Australië nog maar sporadisch onderzoek gedaan. Natuurlijk, Engeland geldt als bakermat van veel moderne sporten en het was ook nog eens een imperium waar de zon nooit onderging, dus de omvangrijke hoeveelheid studies naar de plaats en betekenis van sport in dat Empire ligt voor de hand. Toch gebeurde dat ook daar lange tijd weinig, op het werk van duizendpoot J.A. Mangan na, die medio jaren tachtig schreef over de hechte band tussen idealen rond sport, beschavingsfantasieën, missionering en de koloniale opleiding van de voor het imperium bestemde jongemannen.

Sport en ‘cultural power’
In 1988 verscheen het artikel ‘Sport, Cultural Imperialism and Colonial Response in the British Empire’ van de Australische sporthistoricus en politicoloog Brian Stoddart in het serieuze historische tijdschrift Comparative Studies in Society and History. Het werd baanbrekend. Stoddart stelde de vraag waarom Engeland toch zo lang in staat was geweest om de macht te behouden in dat grote Empire. Bureaucratisch en militair gezien was er daarvoor te weinig power. Stoddart zocht het antwoord in sport, dat volgens hem een van de belangrijkste vehikels was geweest van ‘cultural power’: het succesvol overbrengen van Britishness. Sport verzachtte bovendien als een soort smeerolie de politieke en sociale effecten van de koloniale overheersing. Dankzij het werk van met name onderwijzers en missionarissen en zendelingen werd sport een van de pilaren onder de imperiale cultuur. Met name bij de zonen van inheemse elites en jonge mannen met aspiraties om op te klimmen werd sport een onderdeel van hun streven om zo Engels mogelijk te worden en de koloniale bovenlaag te naderen. Succesvolle Indiase cricketteams werden uitgenodigd voor testmatches in Oxford. Onderwijl leerden zij beschaving, fair play en samenwerking, de pijlers waarop het Empire gebouwd was.

Stoddart en Mangan zagen de culturele macht van sport vooral als een soort superstructuur die door de Engelsen succesvol werd opgelegd. Doel van onderzoek was te beschrijven hoe die praktijken en ideeën vanuit het moederland naar de koloniën reisden en hoe ze door daarvoor ontvankelijke sociale groepen werden overgenomen. Ze lieten zich daarbij inspireren door Antonio Gramsci en zijn theorie over hegemonie, maar ook Pierre Bourdieu’s concept van culturele reproductie en de ideeën van het in de jaren tachtig in Engeland invloedrijke Birmingham Centre for Contemporary Cultural Studies klinken hierin door.

Nieuwe imperiale geschiedenis
In de jaren negentig veranderde het onderzoeksperspectief zowel in Engeland als in Frankrijk – de twee grote koloniale rijken – onder invloed van een cultural turn, die zich ook op andere historische terreinen manifesteerde. Ook gendergeschiedenis, dat de betekenis van mannelijkheid en vrouwelijkheid bevroeg, en postkoloniale geschiedenis wierpen nieuwe vragen op. In plaats van koloniale of imperiale geschiedenis vooral vanuit de koloniale machthebbers of elites te bekijken, ontstonden onderzoeksrichtingen met meer aandacht voor een geïntegreerde koloniale geschiedenis waarin de impact van de koloniën op de cultuur in het moederland geïntegreerd werd. Vooral dit ‘webbed character’ van koloniale ruimten, of anders gezegd: de culturele uitwisseling en zogenaamde culturele contactzones en processen van toe-eigening en omkering, kwamen meer op de agenda. Daarnaast begonnen thema’s als genderverhoudingen, de betekenis van ‘het lichaam’ in koloniale en etnische discoursen en de invloed van postkoloniale verhoudingen aan een opmars.[3]

Ook in de internationale sportgeschiedenis leidde dat tot publicaties die deze onderwerpen thematiseerden en sport meer vanuit het licht van de wederkerigheid tussen moederland en koloniën gingen analyseren. Voorbeelden daarvan zijn een bundel onder redactie van John Nauright en Timothy Chandler en een studie van Patrick McDevitt, die specifiek over de impact van sport en mannelijkheid in zowel Groot-Brittannië als het empire gaan, en van Charlotte MacDonald over idealen en transfers van sport en vrouwelijkheid in Groot-Brittannië, Nieuw-Zeeland, Australië en Canada. Recentelijk komt ook de vraag naar voren hoe ‘the colonial legacy’ de sport als zodanig heeft beïnvloed – een thema waarin met name John Bale zich heeft verdiept – en hoe sport een rol speelt in postkoloniale verhoudingen: kan het bijvoorbeeld een vorm van verzet zijn?

Ook in Nederland – het derde grote koloniale rijk – is de new imperial history een belangrijke stroming, maar nog niet binnen de sportgeschiedenis. Hoe zou deze benadering sportgeschiedenis vruchtbaar kunnen beïnvloeden? Als voorzet ga ik in dit artikel in op twee thema’s: de wederzijdse beïnvloeding van kolonie en moederland en betekenissen van het sportieve lichaam binnen deze context. Ik werk dit uit aan de hand van het voorbeeld van voetbal als onderdeel van al een meer dan honderd jaar durende (golvende) ontwikkeling tussen Nederland en de Antillen, in het bijzonder Curaçao.[4]

Nederlandse fraters en Curaçaos voetbal
Vergeleken met ‘het Surinaams legioen’ (de voetballers van Surinaamse afkomst in het Nederlandse betaald voetbal) en uit Zuid-Afrika afkomstige voetballers als Steve Mokone en Darius Dhlomo (met ieder een biografie van Nederlandse auteurs) weten we weinig over het Antilliaanse voetbal. Toch bestond op de Antillen in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw al een levendige voetbalcultuur. Bij de viering van het vijfentwintigjarig bestaan van de Curaçaose Voetbalbond (CVB) in 1946 schreef de krant zelfs ‘dat het een van de goede dingen is die wij van het moederland hebben overgenomen’. Aan de oorsprong stonden, net als in Suriname, matrozen en infanteristen en ook zonen van protestantse, blanke Europese kolonisten.

Een Frater van Tilburg met zijn voetbalclub op Scherpenheuvel. Bron: Regionaal Archief Tilburg, collectie Fraters van Tilburg.

Maar voor de verspreiding waren de Nederlandse Fraters van Tilburg het belangrijkst, die vanaf 1886 vooral in het jongensonderwijs op Curaçao werkzaam waren en net zoals tal van fraters, paters en kapelaans belangrijke voetbalentrepreneurs waren. Om de leerlingen ook buiten schooltijd iets omhanden te geven gingen de fraters vrijetijdsbesteding organiseren. Sport, met name voetbal, werd disciplinerend en vormend geacht en kostte bovendien weinig. De fraters maakten bij hun scholen terreinen geschikt, ze zorgden voor ballen en shirtjes en richtten ook verenigingen op. De twee bekendste clubs waren Jong Holland, ontstaan op het St. Vincentiusgesticht Scherpenheuvel, en Sithoc, afkorting van het Sint Thomas College. Ook de oprichting van de clubs Didi en Canisius Boys was het gevolg van initiatieven van deze fraters. In 1925 was daarnaast door enkele jongens De Trappers opgericht, dat in 1936 fuseerde met Bismarck/Brion tot Sport Unie Brion Trappers (SUBT). SUBT groeide vervolgens uit tot de meest succesvolle club van Curaçao. De in 1921 opgerichte Curaçaose Voetbalbond organiseerde competities en jaarlijks werd gestreden om de zogeheten Wilhelmina Cup, genoemd naar het staatshoofd. Dit waren koloniale hoogtepunten waarbij het hele gouvernement en ook de fraters aanwezig waren.[5]

Sportieve banden tussen ‘de Uniepartners
Tijdens de Tweede Wereldoorlog vonden op Curaçao serieuze toernooien plaats, met ploegen van Aruba, Haïti en Venezuela als deelnemers. De coach van Haïti had het vak trouwens in België geleerd. In de jaren na de oorlog speelden in opbouw zijnde Nederlandse ploegen regelmatig tegen een Antilliaans elftal, met vooral spelers van Curaçao en enkele van Aruba. Feyenoord deed dat in 1946 en verloor met 4-0. ‘Onze Curaçaose jongens, evenals de Arubaanse, hebben aanleg voor dit spel’, schreef de krant. Een jaar later bezocht het Antilliaans elftal Nederland en in 1949 bracht het Nederlands elftal een tegenbezoek. In 1952 deed het Antilliaanse team weer Nederland aan, toen het, net als het Nederlands Olympisch elftal, in voorbereiding was op de spelen van Helsinki.

Zakenman Mordi Maduro, sinds 1951 voorzitter van de Curaçaose Voetbal Bond (C.V.B.), die later actief zou worden in de FIFA, was een belangrijk promotor. Hij reisde naar Europa om bekende ploegen te overreden om een tournee naar Curaçao te maken en slaagde daar regelmatig in. KNVB-voorzitter Karel Lotsy was onder de indruk van het spelpeil van de spelers en wilde de sportieve banden tussen ‘de Uniepartners’ verder aanhalen. We zien hier dus een directe invloed van de koloniën op het moederland.

Die invloed strekte zich in de jaren vijftig verder uit. Verschillende spelers van SUBT en Sithoc staken er bovenuit. Dat gold bijvoorbeeld voor keeper Ergilio Hato, ook bekend als de ‘zwarte panter’, die had leren voetballen bij fratersclub Jong Holland. Zijn reputatie reikte veel verder dan het Caribisch gebied en strekte zich uit tot heel Zuid-Amerika en ook Europa. Hato speelde in 1950 enkele keren in een Nederlands team mee. Verschillende Europese ploegen, waaronder Real Madrid, maar later ook Ajax en Feyenoord, boden hem profcontracten aan, maar die weigerde Hato één voor één, omdat hij het eiland niet wilde verlaten.

Bill Canword en Moises (Moos) Bicentini waren beiden gevaarlijke aanvallers, terwijl Pedro Koolman bekend stond als behendige verdediger. Met Bicentini en Koolman in de gelederen won SUBT in 1955 zelfs een wedstrijd van het gerenommeerde Spaanse Valencia CF. Daarin speelde de Nederlandse international Faas Wilkes, die mede vanwege zijn huwelijk met de dochter van een Surinaamse minister ook op de Antillen zeer bekend was. Net als andere goede Nederlandse voetballers speelde Wilkes in het buitenland, waar men meer kon verdienen zolang in Nederland het amateurstelsel bleef bestaan.

Goudmijn in de West
Toen in 1953 en 1954 de eerste aanzetten om tot Nederlands profvoetbal te komen werden gerealiseerd, zong in Nederland de koloniaal getinte gedachte rond dat in ‘de West’ een goudmijn met getalenteerde zwarte spelers lag, klaar om geëxploiteerd te worden. Dat gold allereerst voor een vijftiental Surinaamse spelers dat tussen 1954 en 1957 naar Nederland kwam en een profcontract kreeg (onder wie de bekende Humphrey Mijnals). De in Paramaribo als zendeling van de Evangelische Broedergemeente werkzame dominee Eep Graafland tipte het Utrechtse Elinkwijk met deze boodschap.[6]

In 1957 richtte de Nederlandse aandacht zich ook op Curaçao. Dat gebeurde niet door één van de bekendere verenigingen, maar door het Nijmeegse NEC. Deze van oorsprong arbeidersclub had na veel discussies net besloten het profavontuur aan te gaan. Toen het elftal deelname aan de hoofdklasse misliep, werd duidelijk dat versterking nodig was, als de ambities tenminste gerealiseerd wilden worden. Hiervan wist ook Douwe Hendrik Ringma, een in Nijmegen geboren zakenman met een Friese vader en Nijmeegse moeder. Deze NEC-supporter woonde al enkele jaren op Curaçao, was in het weekend scheidsrechter en wees het NEC-bestuur op het hoge peil van het Curaçaose voetbal. Via deze bemiddelaar kreeg NEC het gedaan dat Moises Bicentini een contract tekende. Eerder al had Bicentini aanbiedingen gehad van clubs in Argentinië, Columbia en Mexico, maar de onderhandelingen waren telkens afgeketst. Dat kwam vooral door de C.V.B., die het Antilliaanse elftal bij elkaar wilde houden en zijn sterspeler niet wilde missen. Mordy Maduro vond NEC als tweededivisieclub eigenlijk van te laag allooi. Maar toen Ringma namens het NEC-bestuur met financiële garanties kwam én de toezegging van een baan naast het bestaan van semiprofessionele voetballer, stemde Bicentini toe.

Bij NEC zag men zijn komst met enige paternalistische zorg tegemoet. Omdat men bang was dat hij het wellicht als eenling moeilijk zou vinden in Nijmegen, mocht hij iemand meenemen. Die iemand werd Pedro Koolman. Achteraf, rond het eeuwfeest van NEC in 2000, zei Bicentini dat hij de zorgen van NEC over mogelijk heimwee destijds wel vreemd had gevonden. Als international was hij immers allang gewend om vaak van huis te zijn.[7]

Moises Bicentini (links) en Pedro Koolman (rechts) bij hun aankomst op Schiphol, 21 juli 1957. Bron: Regionaal Archief Nijmegen.

Muscle drain
Op 21 juli 1957 kwamen de voetballers aan op Schiphol; ze zagen er volgens De Gelderlander exotisch uit. Het voltallig NEC-bestuur wachtte hen op en heette hen welkom.[8] Bicentini en Koolman waren de sterren, niet andersom.

Op Curaçao waren de reacties ondertussen gemengd. Sommigen waren trots, maar er verschenen ook kritische artikelen en ingezonden brieven over de muscle drain naar Nederland. Omdat Bicentini en Koolman bij een semiprofessionele club gingen spelen, verloren zij hun recht om uit te komen voor het amateurteam van Curaçao, dat daarmee een hoge klassering op de Centraal-Amerikaanse en Caribische Spelen wel kon vergeten.[9]

NEC bracht Bicentini en Koolman samen onder in een hotel-pension. Ze kregen aan het klimaat aangepaste kleding en fietsen, maar ook banen: Bicentini werd administrateur bij een kunstzijdefabriek en Koolman verkoper op de sport- en kampeerafdeling van V&D. Ook zorgde NEC ervoor dat Bicentini niet in militaire dienst hoefde. Een bezienswaardigheid waren ze wel in Nijmegen, waar op dat moment slechts een handjevol mensen uit Suriname en de Antillen woonde, bijna allen studenten van de Katholieke Universiteit. Op straat werden ze nagekeken en in hun hotel was het een komen en gaan van mensen die een praatje wilden komen maken. Het exotische trok publiek.[10]

Het semiprofelftal van NEC in het seizoen 1957-58. Rechts gehurkt Bicentini, rechts staand Koolman. Bron: Regionaal Archief Nijmegen.

De medespelers moesten aanvankelijk wennen aan twee nieuwe spelers in de kleedkamer, met name aan Bicentini, die behalve donker ook lang was en meer opviel dan de lichtere en kleinere Koolman. Op hun beurt moesten de Curaçaose voetballers acclimatiseren: spelen op gras in plaats van zand en het tragere voetbal in Nederland waren nieuw voor hen.[11] Maar tijdens de eerste oefenwedstrijd – tegen een elftal uit Kleef – bleek Koolman een onverzettelijke verdediger en scoorde Bicentini direct met een hard genomen vrije trap. Die sportieve inbreng zorgde voor een snelle integratie in het team. Anders gezegd: sportief succes en het samen als ploeg daarvoor vechten drongen verschillen van raciale of sociale aard naar de achtergrond. Ook de elftalfoto’s waarop Bicentini en Koolman te midden van de andere spelers stonden, drukten die ‘corporate identity’ uit.

Het kanon van Curaçao
Maar het beeld is ambivalenter. Een discoursanalyse, zoals de new imperial history bepleit, leert veel over hoe met name Bicentini werd gerepresenteerd. Zijn harde schoten, die in menige wedstrijd doorslaggevend waren, zorgden voor een duidelijk frame: niet dat van de begaafde voetballer, maar van de zwarte oerkracht. Al een maand na aankomst was de reputatie van ‘de kleurling Bicentini’ gevestigd. Als hij aanlegde schreeuwde het publiek ‘Vuur!’, en zijn bijnaam werd al snel ‘het kanon uit Curaçao’.

Ook in landelijke kranten bleef de‘donkere kleurling’, de ‘donkerhuidige Bicentini’ geen onbekende. Hij wist met ‘onmenselijk hard genomen vrije trappen’ met zijn uitschuifbenen wedstrijden te beslissen. Die ‘oerkracht’ kon alleen van iemand met een zwarte huidskleur komen, zo leek het, en heel nauw luisterde zijn afkomst niet. Soms werd hij een Surinamer genoemd, soms een Zuid-Afrikaan. Kinderen zaten aan hem om te voelen wat voor mens dit wel niet was. Hij was duidelijk een ánder, zowel een held als een ondergeschikte – in wetenschappelijke termen: een ‘subaltern’.

NEC ging ondertussen heel slim reclame maken met Bicentini en ook andere clubs plaatsten advertenties waarin zijn meespelen vast werd aangekondigd. De nieuwsgierigheid naar het kanon legde de club geen windeieren. Toch bleef het gedroomde kampioenschap uit. Na een sterk begin in het seizoen 1957-58 moest NEC toch genoegen nemen met plaats zes en het jaar daarop ging het al niet veel beter. In de bekercompetitie deed de club het wél uitstekend en strandde in het seizoen 1958-59 pas in de vijfde ronde.

Maar men wilde meer. Dankzij bemiddeling van Bicentini contracteerde NEC eind 1959 nog een derde ‘Surinaamse speler’. De al eerder genoemde Bill Canword was aanvoerder van SUBT en het elftal van Curaçao. Canwords komst bracht echter geen soelaas; door blessures kwam hij weinig aan spelen toe. Uitblijvend succes leidde ertoe dat de contracten niet werden verlengd. NEC richtte zich – voor het eerst met financiële steun van de gemeente – meer op spelers uit de eigen stad en omgeving en wist daarmee in 1964 eindelijk de eerste klasse te halen. Canword keerde na enkele jaren terug naar Curaçao, Bicentini en Koolman, die inmiddels Nijmeegse verloofdes hadden, bleven. Zij haalden trainersdiploma’s en werden trainer van verschillende regionale en kleinere Nijmeegse clubs. Terugkijkend op hun beginjaren in Nijmegen gaven beiden aan nooit onprettige ervaringen te hebben opgedaan, al vielen ze wel op.[12]

NEC’s drie Antilliaanse spelers. Van links naar rechts: Bill Canword, Pedro Koolman en Moises Bicentini. Bron: Regionaal Archief Nijmegen.

Curaçao-Nijmegen-Curaçao
Na deze eerste golf diende zich in de jaren tachtig een tweede generatie ‘zwart voetbalgoud’ aan. Bij NEC stonden er medio jaren tachtig drie onder contract: Henk Leatemia (van Molukse achtergrond), Ulrich Crüden (met Surinaamse wortels) en Remko Bicentini, de in Nijmegen geboren en getogen zoon van Moises.

Remko was een trotse Nijmegenaar en NEC’er, maar zich ook zeer bewust van zijn gemengde afkomst. Hij was na de eeuwwisseling – toen postkoloniale erfenissen steeds duidelijker werden – ook oordelender over de geschiedenis van zijn vader. Zijn interpretatie van die beginjaren strookte niet met die van hem. Over een foto, waarop kinderen Moises na de wedstrijd wilden aanraken en letterlijk aan zijn haren trokken, zei Remko kritisch: ‘(…) alsof ’t een aap is, alsof ze nog nooit een donker persoon gezien hebben. (…) Ze trekken gewoon aan ’m alsof ’t een attractie is’.[13]

Remko Bicentini ging steeds vaker naar Curaçao, waar hij in 2005 begon met de Fundashon Bicentini, een stichting die zich inzet om kinderen in achterstandssituaties op Curaçao te helpen door het inrichten van sportterreinen en het organiseren van sportactiviteiten. De reputatie van vader Moos was daar nog niet vergeten en dankzij de naam Bicentini openden zich veel deuren. Zoon Remko startte hiermee ‘om iets terug te doen’ (let op de wederkerigheid tussen kolonie-moederland en kolonie), omdat sport kinderen plezier geeft en ook discipline bijbrengt. In dat laatste is zelfs een echo van de doelstellingen van de Fraters van Tilburg te horen. Door de stichting is ook de naam Bicentini weer helemaal teruggekomen bij NEC; spelers en oud-spelers zetten zich voor dit goede doel in en geven bijvoorbeeld voetbalclinics op Curaçao.

Bicentini hield het niet bij zijn stichting. Hij nam ook het initiatief tot de Dutch Caribbean Stars, de Antilliaanse tegenhanger van de Suriprofs, die benefietwedstrijden spelen ten behoeve van jeugdsportprojecten op de Antillen en Aruba. Spelers als Gregory van der Wiel en Vurnon Anita maakten er deel van uit en NEC was al eens te gast.

Een andere opmerkelijke ‘sportbeweging’ tussen Nederland en Curaçao is het feit dat mede dankzij Remko Bicentini’s bemiddeling Leen Looyen, voormalig trainer van NEC, in 2008 bondscoach van Curaçao werd. Bicentini werd zijn assistent. Bovendien werd Gregory Elias, een rijke Curaçaose zakenman, in dat jaar samen met de voetbalbond van Curaçao enige tijd de hoofdsponsor van NEC. De cirkel die in de jaren vijftig was begonnen, kwam rond: onderdeel van de sponsorovereenkomst was dat getalenteerde voetballers van de Antillen de kans zouden krijgen om voor enige tijd naar Nijmegen te komen om te voetballen en te studeren. In tegenstelling tot de geruisloze komst van de Curaçaose voetballers in de jaren vijftig trok dit nu zelfs de aandacht van de Nederlandse regering. Premier Balkenende complimenteerde NEC met dit voorbeeld van de positieve kracht van voetbal. De deal liep echter na drie jaar af en veel talent brak niet door. Voor clubcoaches op Curaçao was de beëindigde overeenkomst juist weer wél goed nieuws: zij zagen weinig in de muscle drain en konden nu talentvolle jongens voor de eigen club behouden.[14]

Wederkerige voetbalgeschiedenis
Voetbal is onderdeel van een meer dan honderd jaar durende, heen-en- weer golvende ontwikkeling tussen Nederland en de (voormalige) koloniën. Zonder die langdurige wederkerigheid in ogenschouw te nemen, blijft het verhaal eenzijdig of worden ontwikkelingen als nieuw of beginnend gezien terwijl ze veel oudere wortels hebben. Daarom biedt de new imperial history die juist het langdurige ‘webbed character’ van moederland en (post)koloniale samenleving centraal stelt, een nieuwe kijk op voetbalgeschiedenis.

En het verhaal is nog niet afgelopen. In 2015 werd Remko Bicentini opnieuw assistent-coach van het Curaçaos elftal, naast Patrick Kluivert als hoofdtrainer. Toen Kluivert in 2016 naar Paris Saint Germain vertrok, werd Bicentini hoofdtrainer en dat is hij nog steeds. Hij belichaamt feitelijk de wederkerigheid. Het elftal, dat het Ergilio Hato-stadion als thuisbasis heeft, doet het heel goed. Plaatsing voor het WK van 2018 mislukte, maar in juni van dit jaar won het team voor de eerste keer de Caribbean Cup door in de finale van de eindronde op Martinique met 2-1 te winnen van Jamaica. Als eindrondedeelnemer plaatste het zich ook voor de Gold Cup in juli in de Verenigde Staten, het toernooi voor Caribische en Noord- en Midden-Amerikaanse landen; daarin werd het echter in de poulewedstrijden uitgeschakeld. Toch zou het zo maar kunnen dat het Nederlands elftal niet op het wereldkampioenschap van 2022 in Qatar speelt en Curaçao wel. Vanuit het perspectief van de new imperial history is dat een interessante gedachte.

Marjet Derks is hoogleraar sportgeschiedenis aan de Radboud Universiteit.

Noten

[1] Hoen, Guno. Sporthelden uit ons verleden, deel 1. [S.I.: s.n.], 1980, 217-218

[2] Lang, Jan de. Dienaar van koloniaal Nederland. Frederik Christiaan Hendrik Hirschmann (1870-1935). Amsterdam: bert Bakker, 2011.

[3] Zie voor een overzicht: Potter, Simon J. British Imperial History. London: Palgrave Macmillan, 2015; Howe, Steven (red.). The New Imperial Histories Reader. London: Routledge, 2009; Rose, Sonya O. At Home with the Empire: Metropolitan Culture and the Imperial World. Cambridge: University Press, 2006; Kennedy, Dane. ‘Imperial history and post-colonial theory.’ Journal of Imperial and C0mm0nwealth History 24, nr. 3 (1996): 345-363.

[4] Een uitvoerige versie verscheen als ‘Het kanon van Curaçao. NEC’s geromantiseerde postkoloniale erfenis.’ Jaarboek Numaga 63 (2016): 145-164.

[5] Wal, Nancy van der, en Valdemar Marcha. Ergilio Hato, simpel, sierlijk, sensationeel. de hoge vlucht van een voetballegende. Willemstad: SWP, 2003; Palm, Jules de. Kinderen van de fraters. Amsterdam: De Bezige Bij, 1986.

[6] Verkamman, Matty. ‘Dominee kende een goeie voetballer: een Surinamer.’ Trouw (4 oktober 1999); Tan, Het Surinaamse legioen.

[7] ‘Moises Bicentini.’ In: Gunsing, Michel et. al. Hillemuil NECS. Ups en downs van NEC, 1954-2000. Nijmegen: Stichting Jongensdroom, 2001, 25-28.

[8] Interview met Pedro Koolman in het televisieprogramma Sparren, Omroep Gelderland (28 januari 2012).

[9] ‘Waarom geen openlijk semi-profvoetbal op Curaçao?’; ‘Laatste sportnieuws: Koolman en Bicentini tekenen contracten.’ Amigoe di Curaçao (12 en 13 juli 1957).

[10] Gunsing, Hillemuil NECS, 27.

[11] Arts, Harry. ‘Moises Bicentini, ook NEC had een zwarte parel.’ De Gelderlander (15 november 2000).

[12] Interview met Pedro Koolman in: Arts, ‘Moises Bicentini’.

[13] Interview met Remko Bicentini in het televisieprogramma Sparren, omroep Gelderland (28 januari 2012).

[14] ‘Curaçao op de borst en in het hart van NEC.’ De Gelderlander (20 januari 2012).

Afkomstig uit

Geen reactie's

Geef een reactie