Op vrijdag 17 maart 2017 vindt het interieurplatform ‘Sport- en spelhistorie in monumentale interieurs‘ plaats in Amersfoort. Pascal Delheye, redacteur van magazine de SPORTWERELD, attendeerde zijn noorderburen op het artikel ‘De neogotische gymnastiekzaal van de voormalige Rijksnormaalschool te Brugge in cultuurhistorische context‘. 

Verschenen in het tijdschrift M&L (Monumenten, Landschappen en Archeologie) in 2014
Auteurs: Eva Bouton, Thomas Coomans, Pascal Delheye

Neogotische gymnastiekzaal in de voormalige Rijksnormaalschool te Brugge
in cultuurhistorische context

 

De gymnastiekzaal van de voormalige Rijksnormaalschool Brugge is een merkwaardig gebouw in het hart van de historische binnenstad. Ze maakt deel uit van het neogotische schoolcomplex dat in 1888-1883 door de Brugse stadsarchitect Louis Delacenserie werd ontworpen en nu de lerarenopleiding van de Hogeschool West -Vlaanderen (HOWEST) huisvest. Achter de bakstenen gevels van de vrijstaande zaal schuilen een indrukwekkend houten structuur en oude gymnastiektoestellen.

Om de visie van de architect en de betekenis van dit gebouw beter te begrijpen, worden zowel de technische aspecten onderzocht als de manier waarop de bredere maatschappelijke visies op gymnastiek en lichamelijke opvoeding vertaald werden in de architectuur. Het gaat dus om een transdisciplinaire benadering, met een interessante kruisbestuiving van architectuur- en sportgeschiedenis. Terwijl een dergelijke synergie een academische primeur is in België, is de thematiek zelf internationaal belanghebbend. Tot nader order is de door Delacenserie ontworpen gymnastiekzaal de oudste ter wereld die nog steeds in gebruik is.

De neogotische Brugse gymzaal: een uitzonderlijk monument (foto O. Pauwels)

Gymnastiek in het rijksonderwijs
Hippolythe Triat (1812-1881) en Joseph Isenbaert (1822-1905) waren de eerste gymnasiarchen die een vurig pleidooi hielden voor de algemene verspreiding van het gymnastiekonderwijs in België. Triat opende gymnasia in Luik in 1839 en Brussel in 1984 en was ook de eerste die, overigens tevergeefs, de vraag stelde aan de regering om een Gymnase National, een gecentraliseerd opleidingsinstituut voor gymnastiekleraren, op te richten. Isenbaert richtte de eerste turnvereniging op in Antwerpen en werd in 1846 gymnastiekleerkracht aan het Antwerpse Atheneum, waar hij de bestaande gymnastiekzaal aanpaste volgens de principes van het Duitse turnen. Dat werd in het begin van de negentiende eeuw geconceptualiseerd door de nationalistisch geïnspireerde Turnvater Friedrich Ludwig Jahn en vervolgens – nadat de politieke acties van Jahn en zijn discipelen tot een Turnsperre van 1820 tot 1842 hadden geleid – onder meer door Adolf Spiess gepedagogiseerd. Hoewel het Duitse systeem dus werd aangepast aan een schoolse situatie kregen sommige toestellen, zoals de barren, kritiek zowel in Duitsland zelf, waar een heuse Barrenstreit losbarstte, als in het buitenland waar een gelijkaardige methodestrijd werd uitgevochten.

Vooral de aanhangers van de ‘rationele’ en strikt gecontroleerde Zweedse gymnastiek waren gekant tegen het Duitse turnen dat zij als ondoordacht en acrobatisch bestempelden. Antwerpen zou door enkele belangrijke initiatieven echter lange tijd een belangrijke draaischijf van het turnen blijven, zowel voor het school- als voor het verenigingsturnen. Zo richtte Isenbaert in 1853 een privaat gymnasium op aan de Meir, het Gymnase Isenbaert. In 1872 werd onder leiding van Jacob Happel volgeling van Spiess en opvolger van Isenbaert, een nieuwe gymnastiekzaal aan de Kunstlei gebouwd, het Gymnase Normal. Terwijl Isenbaert en Happel het turnen infrastructureel en turntechnisch vorm gaven in Antwerpen, nam Nicolas Jan Cupérus het voortouw in de institutionele ontwikkeling ervan. In 1865 was hij medeoprichter van de Belgische Turnbond en in 1881 was hij stichtend voorzitter van het Bureau des Fédération Européennes de Gymnastique (nu Fédération Internatíonale de Gymnastique). Hij zou de internationale turnbeweging blijven leiden tot in 1924.

De benaming Gymnase Normal houdt in dat turners er in 1872 ook een opleiding voor gymnastiekleerkrachten wilden uitbouwen. Men erkende de noodzaak van een degelijk gymnastiekonderwijs en met de organieke wet op het middelbaar onderwijs van 1850 was het zelfs verplicht geworden in het officieel onderwijs, maar ondanks dit was er van een wijde verspreiding nog niet veel terecht gekomen.

Bakstenen gevel van de gymzaal in Brugse stijl (foto O. Pauwels)

Nadat hij legerkapitein en gymnastiekexpert Guillaume Docx (1830-1896), directeur van de 10de linie-regimentschool, al in 1868 de opdracht had gegeven een programma voor het gymnastiekonderwijs in de lagere scholen op te stellen, stuurde minister van Binnenlandse Zaken Eudore Pirmez in 1869 een circulaire naar de provinciale inspecteurs waarin de bouw van een overdekt gymnastieklokaal verplicht werd voor iedere school. Toen de katholieken in 1870 aan de macht kwamen, schafte Pirmez’ opvolger, Joseph Kervyn de Lettenhove, deze maatregel af. Daarop pleitten de liberale volksvertegenwoordigers dokter Jean-Francois Vleminckx, voorzitter van de Académie de Médecine, en Auguste Couvreur in de Kamer voor de oprichting van een gymnastieknormaalschool, de benoeming van een gymnastiekinspecteur en de invoering van gymnastiek als verplicht vak in het lager onderwijs. Vleminckx was immers na een bezoek van de Zweed Nycander in 1869 een overtuigd aanhanger van de Zweedse gymnastiek geworden en hij schreef in 1870 een opmerkelijk artikel in de Revue de Belgique ter bevordering van het gymnastiekonderwijs. Door de turners werd hij beschouwd als een van hun pleitbezorgers.

De turners volgden de Kamerdebatten met argusogen, waarbij ze zelf ook probeerden hun zaak te bepleiten bij Kervyn de Lettenhove. Die nam echter geen overhaaste beslissingen en gelastte Dumont, inspecteur van het middelbaaronderwijs, met een onderzoek naar de toestand van het gymnastiekonderwijs in de publieke scholen. In het rapport dat in 1872 werd voorgelegd aan de opvolger van Kervyn de Lettenhove, Charles Delcour, werd onder meer vastgesteld dat goed uitgeruste gymnastieklokalen nagenoeg onbestaand waren en dat de leraren incapabel waren. Daarop stuurde Delcour in datzelfde jaar een commissie naar Duitsland, Denemarken, Nederland en Zweden, landen waar de gymnastiek al deel uitmaakte van het schoolprogramma. De driekoppige commissie bestond uit Thomas Braun, een pedagoog van Duitse origine verbonden aan de rijksnormaalschool in Nijvel, Peter Johan Huibrecht Brouwers, kantonaalinspecteur voor het lager onderwijs in Leuven en legerkapitein Guillaume Docx. De turners beseften dat zij Docx moesten overtuigen, omdat hij in de positie verkeerde om een grote invloed uit te oefenen op de toekomst van het gymnastiekonderwijs. Tot hun ontzetting werd hun methode zwaar bekritiseerd in het rapport van Docx. Het Duitse turnen werd verweten empirisch te zijn en de oefeningen aan de brug en de barre of rekstok werden in de slotzin van het rapport onder meer bestempeld als anormaux, irrationnels en dangeraux.

Houten binnenstructuur van de gymzaal (foto O. Pauwels)

Verder vond Docx het oprichten van een normaalschool voor gymnastiek te duur en nutteloos en kon de gymnastiekopleiding het best geïntegreerd worden in het bestaande normaalschoolonderwijs. Dit was een grote streep door de rekening van de aanhangers van het Duitse turnen. Zij hadden namelijk de beslissing van de regering niet afgewacht en waren in 1872 al overgegaan tot de bouw van “un grand gymnnase susceptible de devenir une école normale de gymnastique” namelijk het Gymnase Normal aan de Kunstlei in Antwerpen. De leden van de Belgische Turnbond waren dan ook niet mals voor Docx.

Ze argumenteerden dat hij elementen van de Zweedse gymnastiek overnam, zonder te pleiten voor een degelijke wetenschappelijke opleiding zoals die werd gegeven aan het Centraal Gymnastiekinstituut in Stockholm. Toen Docx inderdaad zijn slag thuishaalde en er in 1874 werd gestipuleerd dat gymnastiek een verplicht examenvak zou worden binnen het normaalschoolonderwijs (wat effectief het geval werd in 1877) en dat er ondertussen tijdeliike gymnastiekcursussen zouden worden georganiseerd in Nijvel, Lier en Waver, werd door de turners dan ook smalend gereageerd op die professeurs de six semaines. Docx liet zich echter niet van zijn stuk brengen. Hij stond pal achter zijn ‘eclectisch systeem’ waarbij, naar eigen zeggen, de beste oefeningen geselecteerd werden uit de grote gymnastieksystemen, het Duitse turnen en de Zweedse gymnastiek, die hij had aangevuld met spelvormen. Ironisch genoeg zou er rond 1900 een nieuwe methodestrijd uitbreken waarbij de methode van Docx door de aanhangers van de Zweedse gymnastiek werd bekritiseerd omwille van de Duitse elementen die ze nog bevatte.

Het Gymnase Normal van Jacob Happel in Antwerpen (uit HAPPEL 1903, p .287)

Guillaume Docx was dus geen voorstander van het idee om een gymnastieknormaalschool op te richten. Enerzijds moest het gymnastieksysteem zo goedkoop mogelijk geïmplementeerd kunnen worden, zodat de regering er niet veel kosten aan zou hebben. Anderzijds moest het gymnastiekonderwijs geïntegreerd worden in het bestaande programma van de normaalscholen zodat gymnastiek door de gewone leerkracht kon gegeven worden. Volgens Docx was het immers belangrijk dat eenzelfde leerkracht zowel voor de intellectuele als voor de fysieke vorming van de leerlingen kon instaan. Deze argumenten sloegen aan bij de beleidsvoerders: in 1875 werd zijn methode geïntroduceerd in het officieel middelbaar onderwijs en in 1879 in het officieel lager onderwijs.

Er werd een apart programma opgesteld voor jongens en voor meisjes waarbij de oefeningen ook werden aangepast aan de leeftijd van de leerlingen. Om ongelukken zoveel mogelijk te vermijden, werd er weinig gebruik gemaakt van toestellen. Docx publiceerde ook handleidingen waarbij de oefeningen onderverdeeld werden per leeftijd en geslacht van de leerlingen en hij gaf hierin ook richtlijnen mee voor de constructie van een gymnastiekzaal. Deze regels werden door het Ministerie van Openbaar Onderwijs uitgevaardigd als officiële richtlijn bij de bouw van een gymnastiekzaal. Om te controleren of de door hem opgestelde regels ook effectief werden nageleefd, werd Docx in 1876 aangesteld als gymnastiekinspecteur in de lagere normaalscholen die hij voortaan een- of tweemaal per jaar zou bezoeken. Hij stelde zich ook ter beschikking van de gemeentelijke administraties zodat hij hen inlichtingen kon geven over bouwplannen en accommodatie voor het gymnastiekonderwijs in de gemeentescholen.

Regels voor de bouw en inrichting van een gymnastiekzaal
Guillaume Docx werkte de regels voor de bouw en inrichting van een gymnastiekzaal voor lagerescholen en normaalscholen verder uit. De regels voor het officieel onderwijs door het Ministerie van Openbaar Onderwijs zijn terug te vinden in het driejaarlijks rapport over het lager onderwijs in België van de periode 1879-1881. De tekst werd aangevuld met vijf plannen die als standaardmodel voor een gymnastiekzaal konden dienen. In de richtlijnen werd duidelijk onderscheid gemaakt tussen gymnastiekzalen voor jongens en voor meisjes. Ook de leeftijd van de leerlingen had een invloed op de architectuur. De richtlijnen waren zeer volledig, waarbij ook aandacht werd besteed aan de plaatsing van de toestellen. De belangrijkste karakteristieken van de regelgevingen worden hieronder weergegeven.

Een gymnastiekzaal van een school moest een overdekt lokaal zijn, grenzend aan een koer of een tuin en dicht bij de klassen gelegen. Indien er een nieuwe constructie gebouwd werd, moest die zo ontworpen worden dat deze dienst kon doen als overdekte speelplaats, naar ook geschikt was voor plechtigheden. Deze karakteristieken waren echter enkel van toepassingen op gymnastiekzalen voor jongens. Voor meisjes mocht de bestaande overdekte speelplaats gebruikt worden voor de gymnastiekoefeningen en was geen aparte constructie voor de gymnastieklessen vereist. Bij lagere scholen op het platteland mocht zowel voor jongens als meisjes ook de overdekte speelplaats of een bestaande recreatiezaal als gymnastiekruimte gebruikt worden, zodat er slechts een beperkte investering nodig was voor de gymnastieklessen.

De afmetingen van een gymnastiekzaal voor jongens waren gebaseerd op het aantal leerlingen dat er moest kunnen oefenen. Hierbij werd rekening gehouden met de afstand die ze innemen als ze zich in rijen opstellen: voor de kleine kinderen was dit 1,50 m en was er een oppervlakte van 2,35 m² voorzien; voor de jongens was dit 1,6o m en een oppervlakte van 2,56 m²; voor de jonge mannen was het 1,70 m en een oppervlakte van 2,89 m². De vorm van de gymnastiekzaal moest in normaalscholen een rechthoek zijn van 25 tot 30 m in de lengte en 12 tot 15 m in de breedte. Langs de zijden moest 2,75 m tot 3,25 m voorbehouden zijn om toestellen te plaatsen en één van de uiteinden van de zaal, zonder planken vloer, was bestemd voor de springtoestellen. Als een gymnastiekzaal in ongunstige omstandigheden moest gebouwd worden, diende getracht te worden om het standaardplan zoveel mogelijk te benaderen. In dat geval kon de ruimte voor het opstellen van de toestellen eventueel tot één zijde beperkt worden, maar in geen geval mochten de afmetingen minder zijn dan 18 m op 9 m. In het midden moest de gymnastiekzaal van 7 tot 9 m hoog zijn en langs de zijkanten tussen 4,50 m en 5,60 m.

Modelplan voor een standaardgymnastiekzaal volgens Guillaume Docx (uit Rapport triennal, 1884)

Hoewel meisjesnormaalscholen niet verplicht waren om over een gymnastiekzaal te beschikken, werden de ideale afmetingen en richtlijnen toch ook duidelijk vermeld. Indien er bijvoorbeeld een nieuwe school werd gebouwd, kon immers best een gymnastiekzaal voorzien worden die ook voor andere doeleinden zoals plechtigheden dienst kon doen. Net zoals bij een gymnastiekzaal voor jongens, moest de zaal rechthoekig zijn waarbij de lengte het dubbele moest zijn van de breedte. De verhoudingen waren anders dan voor jongens omdat voor meisjes minder plaats werd voorzien. In een zaal van 24 m op 12 m, zou het al mogelijk zijn om 100 meisjes te laten oefenen. Indien er spelen of ordeoefeningen werden gedaan, had men een iets grotere oppervlakte nodig en konden slechts 60 meisjes gebruik maken van een zaal met deze afmetingen. De gymnastiekzaal moest helemaal bevloerd zijn, maar ramen, lichtkoepels, toegangsdeur, de twee kleine ruimtes, pijlers, balkon en verwarming moesten aan dezelfde voorwaarden voldoen als bij een gymnastiekzaal voor jongens. Voor de openluchtoefeningen diende een koer voorzien te zijn, grenzend aan de schoollokalen en in contact met de gymnastiekzaal. Het moest een natuurlijk terrein zijn met bomen zodat de leerlingen niet in de volle zon zouden moeten oefenen.

Verder werden in de regelgevingen de toestellen opgesomd die verplicht of aanbevolen waren. Hierbij werd opnieuw een onderscheid gemaakt tussen een jongens- en een meisjesschool en tussen de verschillende graden: lager, middelbaar en normaalonderwijs. Voor meisjes werden onder andere springtouwen, staven, stokken, stangen, ballen en koorden verplicht om aan te kopen en instrumenten zoals halters en knotsen waren aanbevolen. Voor jongens waren verplichte instrumenten stokken, ballen, koorden, springbanen, stangen, klimtouwen, matten, schuine en horizontale ladders en zelfs parallelle barren, wat vrij opmerkelijk was in het licht van de ‘barrenstrijd’ met de turners. Aanbevolen instrumenten waren onder andere stelten, halters, ijzeren stokken, kogelstaven, knotsen en wipplanken.

Monumentale neogotische voorgevel van de Rijksnormaalschool met de toren van het Oude Hof van de Sint -Jorisschuttersgilde aan de Sint-Jorisstraat (foto O. Pauwels)

De Brugse Rijksnormaalschool en architect Louis Delacenserie
Nadat het Brugse stadsbestuur in 1842 de toestemming had gekregen om normaalcursussen te organiseren, werd onder het liberale burgemeesterschap van Jules Boyaval een terrein aangekocht in de Sint-Jorisstraat: het Oud Hof van de Sint-Jorisschuttersgilde. In 1873 werd nogmaals bevestigd dat de Rijksnormaalschool in Brugge er effectief zou komen en ontstonden er onmiddellijk discussies over de keuze van een architect. Het Brugse stadsbestuur en de stadsarchitect Louis Delacenserie konden niet aanvaarden dat de opdracht zou gaan naar architecten van het Ministerie van Openbare Werken. Zij vreesden dat een ’externe’ architect geen oog zou hebben voor de neogotische ontwerpen die in Brugge gebruikelijk waren. Daarom werden alle plannen die vanuit Brussel werden voorgelegd meteen weerlegd door een eigen Brugs ontwerp.

Uiteindelijk haalde Delacenserie zijn slag thuis: in april 1879 werden zijn plannen goedgekeurd. Zo tekende een ‘lokale’ architect een project uit dat moest worden uitgevoerd door het Ministerie van Openbare Werken op basis van de richtlijnen van het Ministerie van Openbaar Onderwijs. De Brugse architect Louis Delacenserie (1938-1909) is vooral bekend als ontwerper van het Centraal Station in Antwerpen, gebouwd van 1895 tot 1905, en van de Sint-Petrus-en-Paulus kerk in Oostende van 1899-1905. Toch speelde het grootste deel van zijn carrière zich af in zijn geboortestad. Na zijn studies aan de Academie voor Schone Kunsten in Brugge ging hij werken bij de Gentse stadsarchitect Louis Roelandt. Na vervolmakingsverblijven in Parijs, Italië en Griekenland werd hij in 1870 aangsteld als stadsarchitect van Brugge. Als adept van de Brugse neogotische beweging bepaalde hij in deze functie mee het huidige uitzicht van de binnenstad. Zowel bij de restauratie van historische monumenten en belangrijke privéwoningen als bij zijn nieuwbouwprojecten waakte hij immers over de neogotische stijl.

De Rijksnormaalschool was zijn eerste belangrijke nieuwbouwproject. Andere prestigieuze opdrachten zouden volgen: het Provinciaal hof en het Centrale Postgebouw op de Grote Markt van 1885 tot 1892, allebei in samenwerking met René Buyck, en de Minnewaterkliniek van 1881-1892. Zijn engagement als bestuurslid van de Société Archéologique, een vereniging die het bouwen en restaureren in de lokale trant aanmoedigde, sloten daar perfect bij aan. Voor zijn nieuwbouwprojecten liet hij zich inspireren door bestaande voorbeelden uit de laatmiddeleeuwse Brugse baksteengotiek. Bovendien doceerde Delacenserie vanaf 1870 aan de Academie van Brugge, waarvan hij in 1889 directeur werd. In 1879 werd hij lid van de Koninklijke Commissie voor Monumenten. Dat wil niet zeggen dat Delacenserie conservatief was en niet open stond voor nieuwe inzichten. Onder invloed van de theorie en werken van Viollet-le-Duc gebruikte hij ook moderne technieken zoals metaalconstructies voor het geraamte van zijn gebouwen.

De typische ‘Brugse travee’ vormt een grote nis in het midden van de voorgevel (foto O. Pauwels)

Voor het ontwerp van de hoofdgevel van de Rijksnormaalschool baseerde Delacenserie zich op de reiegevel van het paleis van Gruuthuse, dat rond 1400 was gebouwd en onder zijn leiding in 1883 zou worden gerestaureerd. Nadat zijn oorspronkelijke ontwerp werd aanvaard, moest hij nog enkele wijzigingen aanbrengen omdat de toren van het Oud Hof van de Sint-Jorisschuttersgilde moest worden behouden. De bouw van het complex kon van start gaan in 1880 en duurde drie jaar. Een artikel en plannen van het complex werden in het Belgische architectuurtijdschrift L’Émulation gepubliceerd.

De gymnastiekzaal van de Rijksnormaalschool in Brugge
Omdat de Rijksnormaalschool een officiële instelling was, moesten bij het ontwerpen van de school de regels van het Ministerie nageleeft worden. De gymnastiekzaal vertoont dan ook veel gelijkenissen met de ‘standaard’ die werd voorgesteld in de richtlijnen van Guillaume Docx. Een reeks ongedateerde plannen voor het Brugse gymnase is bewaard in het archief van Delacenserie. Vermits de Rijksnormaalschool in Brugge ontworpen was als een jongensschool, werden ook wat de gymnastiekzaal betreft uiteraard de richtlijnen voor jongens gevolgd. In 1882, dus nog tijdens het bouwproces, besliste het Ministerie van Openbaar Onderwijs echter om de meisjesnormaalscholen van Brugge en Gent samen te voegen. Het lag dan ook voor de hand om ook jongensnormaalscholen samen te voegen. Omdat de meisjesnormaalschool van Gent in de buurt lag van een kazerne, namelijk aan de Karel Lodewijk Leganckstraat 4-8, werd de Brugse jongensnormaalschool in 1888 overgebracht naar Gent en de Gentse meisjesnormaalschool naar Brugge.

Bouwconcept
Het bouwterrein voor de Rijksnormaalschool heeft een oppervlakte van 1 ha, 7 are en 37 ca. De hoofdingang is gesitueerd aan de Sint-Jorisstraat en de dienstingang in de Klaverstraat. Het complex heeft twee binnenkoeren waar verschillende vleugels rond gelegen zijn en bestaat uit twee bouwlagen met een halfondergrondse kelder. De grootste koer is trapeziumvomig en langs vier zijden door vleugels omsloten. Deze koer was oorspronkelijk niet betegeld zodat sommige van de door Docx aanbevolen gymnastiek- en spelvormen er in open lucht konden plaatsvinden. Op de koer grenzend aan de Klaverstraat staat de gymnastiekzaal als een vrij staande constructie. De neogotische constructie bestaat uit twee verdiepingen en een halfondergrondse kelder, zoals de andere gebouwen van het schoolcomplex. Net zoals bij de standaardgymnastiekzaal is het gebouw symmetrisch opgevat, met drie beuken van negen traveeën. Het rechthoekige grondplan heeft een oppervlakte van 504 m² (16 op 35 m). Deze afmetingen zijn iets groter dan de voorgeschreven afmetingen, maar qua proporties komen ze zeker overeen. De lengte is ook hier ongeveer het dubbele van de breedte.

Uit hout gemaakt, van het parket tot de nok (foto O. Pauwels)

De zaal heeft een geraamte dat volledig in hout is uitgevoerd en de opvallende houten dakconstructie maakt het gebouw zo bijzonder. De gevels van de gymnastiekzaal zijn bijna volledig in baksteen uitgevoerd en rijkelijk versierd. Onderaan de voorgevel is er een trap die naar de ingang van de zaal leidt. Deze ingangspoort bevindt zich onder een tudorboog en aan iedere zijde van deze poort is er een venster. Naast deze vensters zijn nog eens vensters, die groter zijn dan de eerste. De gelijkvloerse verdieping van de gymnastiekzaal ligt op dezelfde hoogte als de toegangsdeur en is een stuk hoger dan de koer. Op de eerste verdieping is er in het midden van de voorgevel een drieledig venster met bovenaan een neogotische decoratie. Aan beide zijden van dit drieledig venster is er telkens nog een venster dat ongeveer even groot is als die op het gelijkvloers. Nog eens boven deze vensters is er een roosvenster dat met maaswerk is opgevuld. Enkele versieringen aan de gevel zijn in natuursteen uitgevoerd en er zijn met ankers aan de gevel bevestigd. De zijgevels zijn minder decoratief uitgewerkt. Het zadeldak van de gymnastiekzaal is met leien bekleed en wordt gedragen door houten spanten, die binnenin zichtbaar zijn. Voor de meeste andere vleugels van de school koos Delacenserie voor metalen dakspanten, maar deze waren enkel zichtbaar op de zolderverdiepingen.

Oorspronkelijke indeling
Het is duidelijk dat architect Delacenserie de voorschriften van Guillaume Docx minutieus heeft gevolgd voor het ontwerp van de gymnastiekzaal van de Rijksnormaalschool te Brugge. Oorspronkelijk had de gymnastiekzaal twee grote ingangen, één vooraan en één in de achtergevel. Deze poorten waren allebei breed genoeg om twee leerlingen naast elkaar erdoor te laten. Als men binnenkomt door de ingang in de hoofdgevel passeert men eerst twee aparte ruimtes. De ruimte aan de rechterzijde zou mogelijk als kabinet voor de leerkracht kunnen gediend hebben en in de kamer aan de linkerzijde is een trap voorzien die leidt naar de galerij op de eerste verdieping. De galerij was oorspronkelijk enkel via deze houten trap bereikbaar. In het interieur vallen onmiddellijk het dennenhouten geraamten en de open dakconstructie van de gyrnnastiekzaal op. De galerij op de eerste verdieping steunt op pijlers die dan verder tot aan het plafond doorlopen. Deze galerij loopt rond de hele gymnastiekzaal, is eveneens volledig in hout uitgevoerd en heeft een houten balustrade die ondersteund wordt door elementen in gietijzer.

Een trap leidt naar de galerij en de kleedkamers (foto O. Pauwels)

Op de eerste verdieping zijn aan beide zijden van de galerij individuele kleedkamers voorzien, ook volledig in hout uitgevoerd. Het is uitzonderlijk dat in die periode al individuele kleedkamers voorzien waren en ook de plaatsing van de kleedkamers is merkwaardig. In de voorschriften van het Ministerie werd slechts een kleine ruimte beneden voorzien als kleedkamer, de individuele kleedkamers zijn dus een inventie van de architect. Vermoedelijk heeft Delacenserie ervoor gekozen om ze op de eerste verdieping te voorzien om plaats en kosten te besparen. Voor aparte kleedkamers op de gelijkvloerse verdieping was nog een aparte constructie nodig geweest, grenzend aan de gymnastiekzaal. De kleedkamers bleven tot nu toe ongewijzigd.

Oorspronkelijk had de gymnastiekzaal een houten parketvloer met rechte latten. Die werd later vervangen door een parketvloer met visgraatmotief. Op de gelijkvloerse verdieping hebben de zijmuren aan elke kant negen vensters. Deze kunnen bovenaan kantelend geopend worden. Onder het drieledig venster in de voor- en achtergevel is in het interieur een decoratie in natuursteen voorzien. In het dak zijn zes dakramen voorzien, drie aan elke zijde, waardoor er veel licht in de gymnastiekzaal binnenvalt. De ramen in de zijgevels konden geopend worden voor ventilatie en daarnaast was ook nog een ander ventilatiesysteem voorzien, want op de buitengevels onder de ramen zitten roosters voor de ventilatie. De verwarmingsinstallatie van het gebouw bevindt zich in de kelder en is toegankelijk via een kleine deur links onderaan aan de buitenkant van de hoofdgevel. Ook achteraan de zaal zou oorspronkelijk een toegang geweest zijn die naar de kelder leidde. Net zoals in de rest van de school installeerde men een systeem op basis van stoom onder lage druk. Vandaag is er echter centrale verwarming voorzien in de zaal.

Uitrusting
Ook de voorziene toestellen en de plaatsing ervan kwamen sterk overeen met de richtlijnen voor een standaardgymnastiekzaal. Zo werd conform de richtlijnen aan elke zijde van de zaal onder de galerij plaats voorzien om de toestellen te plaatsen. Aan de noordelijke zijde voorzag Delacenserie een hangende ladder, aan de linkerkant verschillende schuine ladders, die telkens per twee langs elkaar bevestigd. In het midden van de zaal zijn aanduidingen op een plan voor hangende ladders en koorden. Deze koorden waren dan waarschijnlijk aan de houten constructie van de zaal bevestigd. In de voorschriften stond ook dat dit mogelijk moest zijn zodat hier geen nieuwe elementen voor voorzien moesten worden, want Docx wou een zo goedkoop mogelijk gymnastieksysteem. Delacenserie voorzag ook rekken om kleinere en verplaatsbare instrumenten op te bergen. Zo was aan de zuidelijke zijde een bak voorzien om stokken en staven op te bergen. Langs de muur aan de voorzijde van de zaal zijn ook ‘hangende rekken’ voorzien waarin knotsen werden opgeborgen. Deze zijn nog steeds bewaard, maar hebben nu een andere plaats gekregen in de zaal. Aangezien de gymnastiekzaal aanvankelijk gebouwd werd voor jongens, heeft Delacenserie ook effectief de voorgeschreven toestellen voor jongens voorzien. Voor meisjes waren immers minder toestellen en instrumenten vereist.

Latere aanpassingen
Onder impuls van kolonel Clément Lefébure moest het ‘Belgische’ eclectische systeem van Guillaume Docx wijken voor de principes van de Zweedse gymnastiek. Lefébure werd in 1898 door de Minister van Oorlog op zending naar Zweden gestuurd en keerde terug als fervente aanhanger van de Zweedse gymnastiek. In 1902 werd hij benoemd tot directeur van de militaire École Normale de Gymnastique et d’Escrime (ENGE) in Brussel. Via een vergelijkend experiment kon hij de beleidsvoerders overtuigen dat de tot dan gebruikte Docx-methode nefast was in die zin dat ze zelfs tot een daling van de fysieke parameters van de militairen had geleid, terwijl de rationele Zweedse gymnastiek tot een ‘regeneratie van het ras’ zou leiden.

Nadat de Zweedse gymnastiek in 1904 als officiële methode in de ENGE was ingevoerd, bleef Lefébure ijveren om die methode ook in het reguliere onderwijs ingang te doen vinden. Naar het model van het Centraal Gymnastiekinstituut in Stockholm was hiervoor de oprichting van een universitair instituut voor lichamelijke opvoeding noodzakelijk, zodat de alumni de Zweedse gymnastiek vervolgens in alle graden van het onderwijs zouden kunnen verspreiden.

Door toedoen van Cyrille Van Overbergh, directeurgeneraal van Hoger Onderwijs, Wetenschappen en Kunsten, werd in 1908 effectief een Institut Supérieur d’Éducation Physique (ISEP) aan de Rijksuniversiteit in Gent opgericht. Dat instituut was onder invloed van Lefébure volledig gestoeld op de principes van de Zweedse gymnastiek. Het was het eerste instituut ter wereld waar studenten de graden van kandidaat, licentiaat en doctor in de lichamelijke opvoeding konden verwerven. In datzelfde jaar werd de Zweedse gymnastiek in alle graden van het officieel onderwijs ingevoerd.

Om die reden moesten de gymnastiekzalen van het rijksonderwijs aangepast worden aan de nieuwe regels. Ook in de Brugse gymnastiekzaal vallen nu nog altijd een aantal typische Zweedse toestellen op, onder meer de banken, het kader, en de klimrekken aan de wanden. Ook de evenwichtsbalken, die door een houten constructie aan de pijlers werden bevestigd, moeten na 1908 in de gymnastiekzaal verschenen zijn. Deze evenwichtsbalken konden verplaatst worden als de hele oppervlate van de zaal nodig was voor bepaalde oefeningen. Onder het balkon werd een metalen rail voorzien waaraan onder andere touwen konden bevestigd worden.

Naar aanleiding van het Belgisch Ministerieel Besluit over de bouw en inrichting der schoollokalen van 25 mei 1932 heeft de gymnastiekzaal opnieuw een aantal veranderingen ondergaan. In het eerste hoofdstuk (Art. 7 VII) van dit besluit worden de voorwaarden waaraan een gymnastiekzaal moet voldoen opgesomd. Een van die voorwaarden is de volgende: “Er moet een stortbad-kamer ingericht worden in een lokaal dat aan de kleedkamer paalt. Zij moeten bevatten: stortbade voor warm en koud water, wastafels, een w.c. en, eventueel, een waterplaats. De temperatuur moet er 25 graden bedragen”.

ln de jaren 1930 werd een stortbad-kamer in de onderverdieping aangelegd (foto O. Pauwels)

Omdat de gymnastiekzaal geen stortbad-kamer had, moest hiervoor een geschikte plaats gevonden worden. De noordelijke helft van de kelderverdieping werd verbouwd tot een ruimte met aparte douchecabines. Om deze ruimte van daglicht te voorzien, werden vensters geplaatst in de zijgevel op het niveau van de half ondergrondse kelderverdieping. Op de buitengevel is er een duidelijk onderscheid op te merken in de bakstenen onderaan en bovenaan de gevel, de onderste bakstenen en raamkaders wijken af van de oorspronkelijke. In het ministerieel besluit wordt vermeld dat de stortbad-kamer naast de kleedkamers moest gelegen zijn. Omdat de kleedkamers zich op de galerij bevinden, was dit praktisch niet mogelijk, maar er werd wel een verbinding voorzien tussen de kleedkamers op de eerste verdieping en de stortbad-kamer in de kelder, door de bouw van een nieuwe annex met een trap achteraan de gymnastiekzaal. Hierdoor werd de tweede toegang achterin de zaal een binnendeur. De traphal besloeg niet het hele volume van het gebouw, maar werd zo geconstrueerd dat het drieledig venster op de eerste verdieping nog gedeeltelijk vrij was. Enkel één raam ervan werd onderaan met de helft verkleind en de natuurstenen versiering onderaan in het interieur verdween door deze verandering. In de traphal zijn op de thans bepleisterde en beschilderde gevels nog de oorspronkelijke buitenmuurankers zichtbaar.

De circulatie in de gymnastiekzaal veranderde hierdoor grondig. De douches zelf zijn ondertussen ook al vernieuwd en gemoderniseerd. Enkel de voetbaden en lavabo’s behoren nog tot het concept van de jaren 1930. De centrale koer van de school was oorspronkelijk niet betegeld en kon ook dienen voor de gymnastieklessen. Bomen zorgden er voor schaduw. Ook balspelen en sprongen konden daar beoefend worden. Op de koer waaraan de gymnastiekzaal grenst, was vroeger een kruidentuin die kon gebruikt worden voor de lessen biologie, zodat

De gymnastiekzaal in 1952 (Brugge, Dienst voor Monumentenzorg en Stadsvernieuwing)

de leerlingen een aantal zaken uit de praktijk konden leren. Deze kruidentuin moest later echter plaats maken voor een paviljoen. Ook dit paviljoen verdween later weer. Momenteel is er op die plaats een parking voor de leerkrachten en het personeel van de school. In 1983 diende de inspecteur-generaal van het Gebouwenfonds voor het rijksonderwijs een aanvraag in voor de herinrichting van de binnenruimten, onder andere voor de uitbouw van een bijkomende sportzaal. Op het einde van de jaren ‘6o kon de Zweedse gymnastiek zijn dominante positie in het officieel onderwijs immers niet langer handhaven. Terwijl dit in de buurlanden al veel vroeger was gebeurd, werd ook sport in het officiële programma opgenomen. Het advies voor deze bijkomende sportzaal was ongunstig omdat de resterende vrije ruimte te beperkt was en afbraak van de huidige zaal en vervanging door een nieuwe omnisportzaal was uitgesloten: “Deze turnzaal is een prachtige neogotisch gebouw waarvan de architecturale waarde, zowel door de leden van de Stuurgroep als door de afgevaardigden van het Rijksgebouwenfonds , onderschreven wordt. Bovendien zou het volume van een nieuwe sportzaal storend zijn in het stadslandschap en schil afsteken tegen de waardevolle en homogene omgeving”. Er werd besloten dat de school voor specifieke sportbeoefening het best verder gebruik kon maken van de sporthallen in de Rijselsestraat zoals toen reeds werd gedaan. De gymnastiekzaal zelf bleef zo intact en bleef ook gebruikt worden voor de niet-sportspecifieke lessen lichamelijke opvoeding.

Cultuurhistorische betekenis en erfgoedwording
In de literatuur wordt de gymnastiekzaal vaak vergeleken met de 14de-eeuwse abdijschuur van Ter Doest in Lissewege, waarbij men beweert dat Delacenserie zich hierop zou hebben gebaseerd bij het ontwerpen van het gebouw. Hiervoor is echter geen enkel bewijs. Als Bruggeling kende hij uiteraard de middeleeuwse schuur van Ter Doest, maar uit het voorgaande blijkt duidelijk dat de architect gewoonweg de rationele standaardregels voor gymnastiekzalen van het officieel scholen heeft gevolgd. De geïndustrialiseerde 19de de eeuw bevorderde rationele architectuurtypes als efficiënte antwoorden op bepaalde vragen en specifieke functies zoals scholen, hospitalen, kerken en stations. Volgens de regels van het Ministerie voor Openbaar Onderwijs moest het geraamte van een gymnastiekzaal uit houten balken bestaan en moest er een galerij zijn die ondersteund werd door houten pijlers zodat hieraan toestellen konden bevestigd worden. De Ter Doest-interpretatie kan door ons onderzoek in elk geval uit de wereld geholpen worden. De kwaliteit van de constructie ligt in het feit dat voldaan werd aan de specifieke richtlijnen voor een gymnastiekzaal, terwijl de architect er op hetzelfde moment ook perfect in slaagde om de gymnastiekzaal te doen aansluiten bij de neogotische vormentaal van het gehele complex. De zaal was zeer modern voor haar tijd en voorzag in alle noden.

De neogotische gymzaal als levend monument (foto O. Pauwels)

Bij de overgang naar de Zweedse gymnastiek in 1908 was de zaal nog steeds geschikt voor de lessen en moest enkel de uitrusting van de zaal uitgebreid worden met Zweedse toestellen. Ondanks enkele wijzigingen in de structuur ten gevolge van beleidshervormingen in de jaren 1930, bleef de essentie van de ruimte zoals die door Delacenserie werd ontworpen, grotendeels intact. Toen de Zweedse gymnastiek op het einde van de jaren ‘6o echter zijn dominante positie in het onderwijs niet langer kon handhaven en sport werd geïntroduceerd in het officiële programma, werd de relatie tussen de architectuur en het originele doeleinde van het gebouw gedeeltelijk gebroken. Specifieke sportbeoefening stelde immers andere infrastructurele eisen dan de gymnastiekbewegingen. De niet-sportspecifieke lessen lichamelijke opvoeding kunnen nog steeds in de zaal doorgaan, maar voor sportlessen moest de school gebruik maken van een sportzaal verder in de stad. De zaal is vandaag nog altijd een pronkstuk van de school en wordt ook gebruikt voor plechtigheden.

Het besluit voor de bescherming van het schoolcomplex van de Rijksnormaalschool als monument werd op 2 juli 1989 getekend door de Vlaamse gemeenschapsminister voor monumentenzorg Louis Waltniel. Het complex werd beschermd “om reden van wetenschappelijke historische, en sociaal culturele waarde”. Dankzij deze bescherming zal de gymnastiekzaal in haar huidige vorm bewaard blijven. Ze biedt een eigentijds venster op de ruimtelijke kwaliteit gerealiseerd door Delacenserie in 1883.

 

Gevelopstand en dwarsdoorsnede van de gymnastiekzaal door Delacenserie (Brugge, Dienst voor Monumentenzorg en Stadsvernieuwing, repro O . Pauwels)

Geen reactie's

Geef een reactie