De ‘gekkies’ van het Nederlandse beachvolleybal

in-de-ban-van-beachvolleybal_boekomslagHet Nederlandse model is volgens grondlegger Michel Everaert ‘het lichtend voorbeeld’ van hoe je deze tak van balsport moet aanpakken. De beoordeling is van de wereldvolleybalbond, de FIVB. 

DE ‘GEKKIES’ VAN HET NEDERLANDSE BEACHVOLLEYBAL

Door: John Volkers

Volleybal speelde je in Nederland in zalen, op harde vloeren, soms verende vloeren. Zes tegen zes. En als de zon doorbrak en het buiten lekker weer werd, dan ging je naar de grastoernooien, met een soms glibberige ondergrond, maar ook zes tegen zes. Zo was het in het Nederlandse volleybal. Afwijkingen van dat patroon bestonden niet. Dat veranderde in de jaren tachtig van de vorige eeuw.

Het Nederlandse zaalvolleybal begon met een fel beleefd EK in eigen land (1985) langzaam op stoom te komen. Het waren de inleidende beschietingen voor wat uiteindelijk olympisch zilver (1992) en olympisch goud (1996) van de Lange Mannen ging opleveren. Maar in die gouden jaren brak ook een tak van volleybal door, waarvoor je in Nederland geen bodem zou verwachten. Het was volleybal in het zand, volleybal op het strand meestal, de verzamelnaam was Engels: beachvolleybal. Toen de wereldbond FIVB de in Amerika groot geworden sport serieus begon te nemen – in 1992 werd er in Barcelona een olympisch demonstratietoernooi gespeeld – werd gekozen voor het twee-tegen-twee principe. Dit was echt ander volleybal, was toen de vaststelling.

De eerste keer dat Nederlandse topvolleyballers in het zand gingen spelen, was het nog gewoon zes tegen zes, zo vertelden toernooiorganisatoren Harry de Haas en Harry Janowitz in 2015 in het boek In de Ban van Beachvolleybal. Zij verhaalden ervan op de dertigste verjaardag van het eerste, grote toernooi in 1985, op, waar kon dat anders voor Amsterdammers, het strand van Zandvoort. Niemand wist toen dat het de voorbode was van iets veel groters. De Haas was gevraagd in de zomer van 1985, het jaar waarin de clubteams van Brother Martinus en Tromp Olympus de nationale zaaltitels grepen. Of hij een strandtoernooi onder dak kon brengen.

De Haas had een naam als organisator hoog te houden. Hij had ook twee hoofdsponsors, Campari, het rode drankje, en Delta Lloyd, de verzekeraar die toen zelfs een eigen zaalclub (Delta Lloyd AMVJ) sponsorde. De zakenman De Haas, als altijd in voor goede ideeën, dacht bij het verzoek direct aan Zandvoort, aan zijn eigen wortels. De Haas, zijn herinneringen ophalend in de zomer van 2015: ‘Ik kwam daar voor het eerst als zesjarige jongen. Ik was een oorlogskind, van 1941. Mijn moeder was gescheiden. Mijn grootouders hadden een tenthuisje op het strand. Ik ging van 1 april tot 1 juni naar school in Zandvoort, de Karel Doormanschool. Dat kon toen nog. Ik verkaste gewoon voor de hele zomer naar het strand. Volleyballen deed ik al een beetje, er hingen hier en daar netten, maar het was vooral voetballen.’

Die strandjongen uit Amsterdam dacht bij zijn plannenmakerij aan een andere strandman uit de hoofdstad: Harry Janowitz, scheidsrechter en kofferfabrikant. Die kampeerde in de zomer op KVA, Kampeer Vereniging Amsterdam, in het dagelijks leven ook een volleybalvereniging in de afdelingAmsterdam. KVA stond voor een stuk strand, onder aan de boulevard, naast verenigingen als Voorwaarts, KVS, Helios, Bloemendaal en Zeemeeuwen. De hele Kinkerbuurt en De Pijp vertrokken in zulke maanden uit de hoofdstad westwaarts. De ondernemer Janowitz zei in 1985 tegen De Haas dat het wel kon, zo’n strandvolleybaltoernooi. Hij had drie velden klaar liggen op Zandvoort. Parkeren kon op de boulevard. Er was een materiaaltent, waar de spelers zich vooraf en bij de nazit konden verzamelen. Daar vloeide het rode spul van Campari. De Haas nodigde de eredivisieteams uit. Het zouden er 24 zijn geweest, als het aan hem had gelegen. Niet alle ploegen kwamen opdagen. Gelukkig maar. Janowitz: ‘Want hoe hadden we die in godsnaam moeten bergen?’ Het ging op zijn Harry’s, vlot en met aandacht voor de sponsors. Er waren reclameborden. Hij regelde walkietalkies.

Voor een drankje en een bitterballetje kwamen velen opdagen. Gezelligheid was een factor in het volleybal van die jaren. Het toernooi begon om 10 uur. Om half 2 ging het hozen. Om 2 uur zaten de mannen en vrouwen aan de Campari. De Haas: ‘Dat toernooi was niet meer dan een probeersel. Niemand speelde beachvolleybal in die tijd. Er waren geen specialisten.’ Na KVA in 1985 verhuisde het beginnende beachgezelschap naar Tim Klijn, een strandtent voor surfers in Zandvoort. Daar werden twee toernooien gehouden. Het was nog steeds ouwe jongens krentenbrood. De Campari vloeide, de kroketten spetterden in de olie. ‘Zei ik na de wedstrijd: jongens neem allemaal even een dranghek mee. Het waren er veertig of zo. Stonden ze twintig minuten later allemaal keurig opgestapeld bij de tent van Tim. Mooi toch?’


beachvolleybal_michel-everaert_john-stubbeMartini
De sport beachvolleybal kwam in die jaren nog maar voorzichtigjes van de grond in Nederland. Het NK van 1989, van de Haagse vereniging Kalinko op het strand van Scheveningen, was een ijkpunt. Het was het allereerste NK in deze nieuwe tak van sport. De duo’s Marcus Hoff/Edgar Tinkhof en Marian Hagen/ Sandra Teunis gingen er met de eerste titels vandoor. Daarna werd de sport serieuzer, beter georganiseerd, met trekken van topsport. Weer was marketingman Harry de Haas betrokken. Hij nam Hans Koster erbij, van KSM, Koster Sport Marketing, want die kende als journalist van de Haagsche Courant de stad Den Haag en het strand van Scheveningen als geen ander. Martini, de Italiaanse drankfabrikant, was de aandringende partij om de nationale titelstrijd van 1991 in de Zuid-Hollandse badplaats te houden. De Haas: ‘Zij wilden het in Scheveningen hebben. Toen heb ik Koster erbij genomen. Hij was van de Haagsche Courant. Hans kende iedereen in het Haagse. Dat was handig voor de vergunning, voor van alles en nog wat. Zo is dat gegaan.’

De twee werkten slechts enkele jaren samen. In 1993 werden de rechten van de NK in 1993 al weer aan het later failliete bureau Bakker & Clients, ook wel The Beach Company, gegund. De Haas liet het toonzettende Martini-toernooi spelen aan de noordkant van Scheveningen. Daar was het Carlton Beach Hotel, een geschikte uitvalsbasis en ontvangstruimte. De Haas: ‘Het was lunch, het was diner, het was een feestavond. Het kon niet op. De scheidsrechters gingen één nacht in het hotel. Ikzelf zat er vier nachten. Donderdag begon de opbouw. Nam ik wat jonge jongens mee, zoals mijn zoon Bryan. Die was zestien. Die gastjes sliepen dan in een kelder van Carlton. Daar was een slaapzaal. Het was mooi. Maar rijk ben ik er niet van geworden. Het heeft me veel geld gekost, maar ik heb er ook wel aan verdiend. Het was jammer dat Martini er na drie jaar uitstapte. Dat was heel dom. Ze hadden er altijd moeten inblijven. Het was hun op het lijf geschreven, deze sport.’

Breedtesport
Naast de ontwikkeling van de serieuze wedstrijdsport (met als hoogtepunt het NK) kwam er in de jaren na 1989 een nieuwe beweging in het beachvolleybal. Het werd ook een grote breedtesport. De vereniging Kalinko, die dat eerste NK had georganiseerd, meende dat het te veel tijd en energie vroeg van een doorsnee clubbestuur om met de organisatie van zo’n toptoernooi door te gaan. De bestuurders van Kalinko wilden continuïteit, daar konden ze zelf niet voor zorgen. Ze staken hun licht op bij Frank van Overeem, een zaalvolleyballer met ondernemingslust die voor clubs als Roswell, Bouwlust Orawi, Interlance Zaan, Corbulo en Blokkeer speelde en het zelfs tot de nationale ploeg schopte.

De jongens van Kalinko kenden potige Frank van het strand. ‘Ik trainde wel eens met mijn zaalvolleyballers op het strand, om het seizoen wat te verlengen, als de hallen dicht waren. Ze kwamen bij mij. Kun jij ons helpen? Ik wist wat van de sponsorwereld. Ik had van Harry de Haas geleerd bij de opzet van het Duinrell Blokkeer toernooi, een grastoernooi naar het voorbeeld van Sint Anthonis.’ Van Overeem, de fysiotherapeut die met zijn werktijden kon schuiven, werd uit het niets de promotor die alle stormen sinds 1989 doorstond en zeker wist dat het concept van ‘zee, zon en zand’ hem uiteindelijk ver zou gaan brengen. Nooit twijfelde hij aan zijn eigen inzichten. Altijd hield hij het einddoel voor ogen: volleyballend Nederland onvergetelijke zomers bezorgen. Hij zag naar eigen zeggen de potentie van de sport, ook toen de halve wereld nog schamperde over het Nederlandse klimaat dat volgens de critici volkomen ongeschikt zou zijn om aan beachvolley te doen. Van Overeem zag dat anders. Als jongetje van drie ging hij al naar het strand van Scheveningen en hij zag dat de zee altijd bleef trekken. ‘Mensen zijn er met mooi weer, maar ook met minder goed weer.

beachvolleybal_drieluikZe vinden het fijn op het strand te bivakkeren. De bouwstenen die ten grondslag liggen aan beachvolleybal zijn eigenlijk van alle tijden.’ Toen hij voor Kalinko ging werken, stapte Van Overeem redelijk gretig in. Hij dicteerde wél zijn eigen voorwaarden. Hij wilde het anders. Eén toernooi was voor hem een te smalle basis. Het risico was hem te groot, één minder weekend qua weer en de zaak zou op zijn rug liggen. ‘Ik wilde een circuit. Eén toernooi is slecht verkoopbaar. Ik zei tegen die lui van Kalinko: als jullie nou jullie eigen toernooi organiseren, dan zorg ik voor de vijf andere.’ Zo gezegd, zo gedaan. Van Overeem ging praten met zijn eigen Blokkeer, met SVC, met Move Over, met Novo uit Noordwijk, met organisaties in Hargen en Den Helder. Zo kwam in 1992 het Beach Volleyball Circuit van de grond, een reeks van zes toernooien dat toewerkte naar het Open Kampioenschap van Nederland.

Niet alles ging even vlot. Concurrent Hans Koster, van KSM, pikte beoogd sponsor O’Neill af. Dat was een echt strandmerk. Zo werd Rentokil, een ongediertebestrijder, de eerste sponsor van het circuit. Het was geen naam die bij beachvolleybal paste. Een jaar later heette de serie het Corona Beach Circuit, naar het Mexicaanse bier dat Nederland in die jaren zo goed begon te smaken. Toen clubs liever onder hun eigen naam wilden doorgaan, Novo hield Rabobank Novo Beachvolleybal als titel aan, brak Van Overeem met zijn partners van het eerste uur. ‘Ik zei: als jullie het zo willen, prima, maar ik ga doen wat ik wil doen.’ Hij kreeg zijn gelijk. De circuitjes van de clubs, zoals Novo, Move Over en SVC, hielden een voor een op te bestaan. De bedrijfsmatige aanpak van de Hagenaar won het. Hij ging verder met een stichting die International Dutch Volleybal Circuit heette, richtte zich voluit op de breedtesporttoernooien en regelde de topspelers die aan de demonstratiewedstrijden om de eretitel King and Queen of the Beach meededen. Van Overeem werd de professional die werd ingehuurd om de zaken piekfijn te regelen.

Maar hij was vooral de promotor die trok en duwde. Hij bouwde, onder de vlag van zijn eigen bedrijf Freetime, het circuit uit. Lipton Ice Tea, een merk van Unilever, werd hoofdsponsor. Van negen locaties groeide het zomerse evenement naar zeventien. Van een eerste inschrijving van 750 teams groeide de deelname naar 3000, 5000, 8000 en op zijn top naar 10.500, in 2014. Elke zomer schreven zich 40.000 beachvolleyballers in voor een of meer toernooien in Nederland. De breedtesport was een enorme poot. Op de betrokken stranden werden soms 150 beachvolleybalvelden aangelegd. Omdat hij beachvolleybal meer vond dan sport, hij vond het lifestyle, ging sportondernemer Van Overeem zijn kindje later het Beach Life Circuit noemen. Hij appelleerde aan het strandgevoel, de vrijheid, de zon, het samen doen, de drankjes na afloop. Hij was later zelfs getuige bij beachhuwelijken die uit zulke volleybalweekenden voortkwamen. In die wereld voelde vooral Van Overeem zich thuis. Het Nederlands kampioenschap van de grote bond, de NeVoBo, werd na 1995 door de Amsterdammer Herwin Brillemans georganiseerd. Het werd later ingevoegd in het circuit van Van Overeem. Zo’n toernooi met topspelers werd het middelpunt van de enorme breedtesportoperatie die werd uitgevoerd. Het was, jaren later, het unique selling point bij de internationale volleybalbonden CEV en FIVB die toptoernooien als EK, WK en World Tour aan Nederland gunden.


Beachcultuurbeachvolleybaltoernooi-op-de-dam-2012
In het koude Nederland was beachvolleybal een gewaagd experiment. Regen en wind zijn erkende vijanden van het spel. Niet-gebruikte kerken en afgeschreven sporthallen werden gebruikt om het spel ook in mindere klimatologische omstandigheden te spelen. John Stubbe, de Nederlands kampioen van 1991 en 1992, werd een pionier op indoorgebied. Hij opende een beachcentrum in het Schiedamse sportcomplex Caillou. In de winter kon worden doorgetraind, alsof het zand op de Copacabana was neergestort. Het voorbeeld werd alom gevolgd. Stubbe was een man die het beachvolleybal vanaf de eerste omwentelingen van de bal meemaakte. Hij werd, volgens eigen zeggen, al in de jaren tachtig Nederlands kampioen, toen er met drietallen werd gespeeld. ‘Dat was nog geen officieel NK, we speelden drie tegen drie en het ging om de Gouden Zandschep.’ Het is nergens gedocumenteerd, zoals dat gaat met de eerste omwentelingen van een nieuw spel. Het beachvolleybal ging toen nog volgens het Franse systeem, met een spelverdeler tussen twee passers. Dat moest het afleggen tegen het Amerikaanse spelsysteem. Daar werd twee tegen twee gespeeld, volgens de geschiedenisboeken sinds Santa Monica 1930.

John Stubbe, in 1996 nog bondscoach die geen toegang kreeg tot het olympisch toernooi van Atlanta, bracht in zijn volgende bestaan het Nederlandse beachvolleybal naar de luwte van de binnensteden. Hij trok met zijn bedrijf City Beach Tour van 1997 tot 2011 door het land. De energieke ondernemer deed per zomer tien tot veertien steden aan. Het begon in Gouda, zijn eigen stad. Andere toplocaties waren Amsterdam, Groningen, Eindhoven, Breda, Rotterdam en Utrecht. Het zand, dat per vrachtwagen in het centrum van zo’n speelstad werd afgeleverd, moest schoon zand zijn. Dat betekende: geen schelpen. Anders moest de EHBO overuren maken. Het was niet alleen volleybal dat Stubbe naar de steden bracht. Er was ook beachsoccer, beachhandbal, beachrugby en zelfs tennis. Een aflevering van de Crocs City Beach Tour duurde drie dagen. Soms werd de arena zeven dagen gebruikt. De breedte van het Nederlandse beachvolleybal werd later een sleutel in het internationale succes. Het Nederlandse model is volgens grondlegger Michel Everaert ‘het lichtend voorbeeld’ van hoe je deze tak van balsport moet aanpakken. De beoordeling is van de wereldvolleybalbond, de FIVB. Zeg dan maar dat de Nederlanders met hun frisse, voor strandbezoek somtijds matige klimaat niet weten hoe ze een beachcultuur moeten creëren. Voor die aanpak kreeg Nederland in 2015, op de dertigste verjaardag van de sport in ons land, de wereldtitelstrijd beachvolleybal toegewezen. Everaert, in 1996 in Atlanta met Sander Mulder de eerste Nederlander op olympisch zand, is bij de nationale bond NeVoBo sinds 2004 de aanjager van de sport. Hij kreeg een budget van vijftien mille en een contract voor drie dagen.

Topsport
De ‘gekkies van het beachvolleybal’, zo werd de afdeling op het hoofdkantoor van de Nederlandse volleybalbond (NeVoBo) genoemd, kregen in al hun fanatisme een structuur voor elkaar die de wereld heden ten dage aanspreekt. Niet voor niets kreeg Nederland de WK beach van 2015 toegewezen. Everaert, een serieuze, harde werker, begon in 2004 in een leeg kantoor. Hij werd bij al zijn pogingen beach groot te maken geholpen door ontwikkelingswerker Bert Korteling, door bondscoach Bert Goedkoop en door technisch directeur Joop Alberda. Er was een stappenplan. Everaert: ‘Onze speerpunten zijn de clubs, hun aantal en de kwaliteit die ze meebrengen. Dan is er het breedtesportcircuit langs de kust, waar duizenden mensen aan meedoen. Dat bepaalt tenslotte ons imago. Een strand met 150 velden zoals op Ameland, dat maakt indruk. Dan ben je mainstream, geen niche. Het derde speerpunt is de kwaliteit van onze evenementen. Daar steken we heel veel tijd en menskracht in. Vervolgens leggen we sterk de nadruk op talentontwikkeling. Het vijfde speerpunt, waar heel veel naar gekeken wordt, wordt gevormd door de resultaten van onze topteams.’ Dat laatste speerpunt was in 2013 compleet. In dat jaar werden Alexander Brouwer en Robert Meeuwsen in Polen wereldkampioen. Ze werden de sportploeg van het jaar in Nederland, twee jaar later opgevolgd door de vicewereldkampioenen Reinder Nummerdor en Christiaan Varenhorst, de mannen die de WK-finale op de Hofvijver van Den Haag verloren. Het was het voorlopige sluitstuk van een sport die met snelle stappen de weg omhoog was ingeslagen. Frank van Overeem, de promotor van het eerste uur, kan er met vaart en smaak over vertellen. ‘Met giga zevenmijlslaarzen zijn Michel Everaert en ik met beachvolleybal het land gaan bestormen.’ Het werd, in Franks staccato opsomming, een EK in 2006, daarna de EK en de WK voor junioren in 2007 en 2008. De Nestea European beach Tour kwam naar Scheveningen. De met nog meer geld geladen World Tour volgde tussen 2009 en 2011. Het was topsport, gefinancierd uit de inkomsten van de breedtesporttak. De Nevobo had geen geld, zo introduceerde Everaert in 2004 zijn eigen bond bij Van Overeem, maar dat financiële onvermogen bleek op termijn mee te vallen. Er kwam geld.

Er kwam succes, er kwamen grote toernooien. De Nederlandse aanpak maakte indruk bij de wereldbond FIVB in Lausanne met de breedtesport die mannen als Everaert, Stubbe en Van Overeem rond de topsport drapeerden. Het was de inleiding tot de gunning van de WK beachvolleybal aan Nederland voor 2015. ‘Dat Scheveninger stadion met zijn drieduizend zitplaatsjes stelde natuurlijk op de mondiale schaal niet veel voor, maar bij de FIVB verbaasden ze zich vooral over die honderd velden eromheen. De beelden die daarvan werden gemaakt deden het goed in Lausanne’, zo herinnert Frank van Overeem zich deze triomfantelijke dag uit zijn volleyballeven.

Geen reactie's

Geef een reactie