DE PAPA VAN DAISY BELL

Jonkheer Jan Feith en de emancipatie van het rijwiel en de wielrijd(st)er

Door: Jan Luitzen, Jurryt van de Vooren en Wim Zonneveld

Aan het einde van de negentiende eeuw maakt het wielrijden wereldwijd revolutionaire tijden mee – ook in Nederland. Burgers hijsen zich op de ’hoge bi’, later wat gemakkelijker op de driewieler of op de safety bike. Soldaten oefenen met het rijwiel. Voor velen is wielrijden een symbool van ‘modernisme’, maar tegelijkertijd verloopt de acceptatie ervan niet zonder slag of stoot.

Ook de journalistiek maakt een enorme ontwikkeling door. Stereotype wedstrijd- en vergaderingsverslagjes beginnen plaats te maken voor een eigen genre, dat van de wielerverhalen. De basis wordt gelegd voor de Nederlandse wielerliteratuur. In 1895 wordt in Amsterdam een wielerblijspel gepresenteerd dat de nieuwe tijdgeest effectief en toch luchtig weet te vangen en te duiden.

Daisy (verlegen.) ‘Nu, ik dacht eerst, dat u een dominé, of zoo’n mijnheer van een begrafenis-maatschappij was…!’

Van Peddelen (quasi ernstig.) ‘Zeer verplicht! (Buigt).’

Dai
sy (weer opgewonden: naïf babbelend.) ‘Maar ik ben blij dat ik hoor, dat u wielrijder bent. (Vertrouwelijk). Want weet u, van wielrijders droom ik dag en nacht. Ik heb een paar vriendinnen, die ieder een vélocipède cadeau hebben gekregen en die rijden elken dag vreeselijk ver. Verleden week zijn zij in één dag naar Haarlem gereden en eens zelfs naar Leiden! Ik heb er ook eens op mogen zitten, maar niet los, begrijpt u? De palfrenier van mijn vriendin, hield de fiets dan vast; maar ik geloof tóch wel, dat ik gauw heelemaal alleen zou kunnen rijden!

Van Peddelen. ‘Maar waarom rijdt u dan zelf niet?’

Daisy. ‘Maar, dat is ’t juist. Papa [Mr. Bell, lid der Tweede Kamer] heeft het zoo verschrikkelijk op de wielrijders voorzien! Hij kan ze niet uitstaan. U begrijpt dus, dat hij nooit zou willen…! (opgewonden.) En toch zou ik het zoo dol, dol graag eens willen probeeren. (dweepend.) Hé! Zoo zonder inspanning op een heerlijk glinsterend fietsje voortglijden, door die lachende natuur! De vogels blijven doorkweelen en schrikken niet, zooals wanneer een wandelaar voorbij komt! En dan altijd maar vérder! Verdwalen! O! dolletjes zoo écht verdwaald te zijn! Dan klop je bij een boerenhuisje aan en dan vraag je: “Zeg eens, vriend, kun je me den weg naar Amsterdam ook terug wijzen?” En dan schrikt die boer! “Wat juffer, komt u heilemaol op je vélocipé ven Aomsterdoam?” En dan moet je binnenkomen, en tracteert de boerenvrouw je op zure room of karnemelk! O, heerlijk! Zoo te mogen wielrijden!’

papa-daisy-bell

Programma van het wielerblijspel De papa van Daisy Bell. Bron: Historisch Archief ANWB in Den Haag: Archief Amsterdam’s Wielrijders Bondslokaal, dossiernummer 1531.

Vrijdagavond 8 maart 1895 vindt in de Artis Schouwburg aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam de première plaats van het ‘oorspronkelijk wielerblijspel in drie bedrijven’ De Vader van Daisy Bell, door het gezelschap Amsterdam’s Wielrijders Bondslokaal. Het publiek bestaat uit ‘leden van den Algemeenen Nederlandschen Wielrijdersbond en hun genodigden’ en de opbrengst komt ten bate van de Armenzorg. De recensent van het bondsblad De Kampioen is niet karig met zijn lof over het geboden vertier: ‘De opvoering was één succes; aanhoudend werden de hoofdpersonen toegejuicht, en iedere aardige groep, iedere geestige zet [..] bracht de handen van een enthousiast en deskundig publiek op elkaar.’

In het stuk is Meester Bell, lid van de Tweede Kamer, van plan een wet tegen het – in zijn ogen – verfoeilijke wielrijden in te dienen. Om dit zwaard van Damocles af te wenden, waagt Van Peddelen, bestuurslid van de Wielrijdersbond, zich op audiëntie in Bells kantoor, waar hij diens dochter ontmoet, de bevallige Daisy Bell, die zich ontpopt tot bondgenote. Samen smeden zij een plan om papa Bell op een rijwiel te krijgen. Dat lukt. Mr. Bell klimt in het holst van de nacht op een driewieler, maar dit wordt gezien door Pennewip, redacteur van de Vliegende Wielrijder, die vervolgens dreigt een artikel te schrijven over het fietsende Tweede Kamerlid. Na de nodige kolderieke perikelen en amoureuze verwikkelingen sneuvelt het wetsontwerp. De Kampioen: ‘Wielrijders-typen van allerlei soort, slagers, amateurs, proff’s, protestierende Duitschers, rijbewijzencommissarissen enz. enz., een bont en uitstekend pariodeerend geheel, zijn getuige van de slot-scène, waarin Mr. Bell dit blijspel tot blijspel maakt en zijn zegen geeft aan Daisy en van Peddelen.’

Wielerverenigingen fungeren in deze tijd ook, en niet op de laatste plaats, als plek voor gezelligheid en vermaak voor hun leden. Binnen twee weken wordt het stuk ook opgevoerd in Haarlem en Den Haag. Daar moet na elk bedrijf ‘telkens weer gehaald’ worden, en ‘dan traden er heeren in zwarte rokken naar voren, om woorden van hulde, bewondering en dankbaarheid te spreken en ruikers en kransen aan te bieden’ aan de hoofdrolspelers. Het spel is op ‘bonte avonden’ in het land een groot succes, uitgevoerd door plaatselijke acteurs, vaak zelf wielrijders, en beleeft nog tot voorjaar 1897 een hele reeks opvoeringen. Deventer, Zutphen, Hilversum, Groningen, Arnhem… iedereen wil het gezien hebben.

Jan Feith: student, sporter, schrijver

Daisy Bell is de pennevrucht van ‘J.F.’, die Jan Feith blijkt te zijn, een 20-jarige ex-student en ex-sporter met schrijversaspiraties, die in de eerste opvoeringen zelf de rol van Mr. Bell op zich neemt. Verre van onverdienstelijk, aldus De Kampioen, want de hoofdpersoon had ‘uitstekende oogenblikken’: ‘Dan daverde de zaal van bravogeroep.’

Johannes (Jan) Feith (Amsterdam 1874 – ’s-Gravenhage 1944) is van gegoede, adellijke komaf, hij mag zich jonkheer noemen. Vader Pieter Rutger en broers Rhijnvis en Constant zijn alle drie jurist. Constant, de jongste, is in het begin van de twintigste eeuw een actief cricketer en achtvoudig voetbalinternational, uitkomend voor het Haagse HVV.

Jan is bepaald geen studiebol. De Hoogere Burgerschool in Haarlem maakt hij niet af, de
Openbare Handelsschool in Amsterdam wel, zij het met enige moeite, in de zomer van 1894. Na kantoorbaantjes bij een bank en bij de Stoomvaartmaatschappij Nederland wordt hij in 1896 – in het jaar na Daisy Bell – aangenomen bij het Algemeen Handelsblad als journalist.

In zijn Haarlemse schooltijd begint Jan zich onledig te houden met twee activiteiten die bepalend zullen zijn voor zijn verdere levensloop, die zo verschilt van zijn familieachtergrond: populaire cultuur en sport. Onder zijn schoolvrienden zijn de latere voordrachtskunstenaar Albert Vogel en de musicus Wim Landré.

jan-feith

Jonkheer Jan Feith rond 1928.

Jans passie voor sport ontstaat als hij in Haarlem Pim Mulier ontmoet, tien jaar ouder, die hem overhaalt mee te trainen met de voetballende jongens op de Koekamp. Hij debuteert voor HFC op 9 maart 1890 tegen HVV, een wedstrijd die eindigt in een 6-2 nederlaag. Dit deel van zijn sportcarrière wordt in 1906 het onderwerp van zijn bestseller Uit Piet’s Vlegeljaren, een jeugdroman met het eerste Nederlandse literair-ingebedde verslag van een voetbalwedstrijd. In juli 1890 worden door de Amsterdamsche Sportclub atletiekwedstrijden georganiseerd op het grote sportcomplex ‘achter het Rijksmuseum’, met deelname van een hele stoet Haarlemmers. Schaatser-wielrenner Klaas Pander wint er de race over 1 mijl. Klaas’ protégé Jaap Eden maakt zonder potten te breken in deze race zijn sportdebuut, maar Jan Feith wint de ¼ mijl. Jaap en Jan zijn allebei 16 jaar oud.

In Amsterdam voetbalt Jan bij RAP, maar na een hardnekkige blessure (‘leewater’, oftewel een voetbalknie) stapt hij over op het wielrennen. Hij is geen veelrijder, maar behaalt wel een aantal opvallende successen. In augustus 1892 is hij met een groepje rijders in Londen, waar hij op de Catford-baan, een slecht berijdbare kleibaan, de overwinning weghaalt in de team-race, met als maat de sterke Hagenaar Willem Rademaker. Hij behaalt in de zomer van 1893 overwinningen op de banen van Sittard en Arnhem, en bij die laatste gelegenheid een tweede plaats in het Kampioenschap van het Continent over 1 mijl, achter Jaap Eden. Jan en Jaap kunnen het goed met elkaar vinden, ze maken er samen, tot groot enthousiasme van het publiek en de kranten, een mooie sprint van.

1894 is zijn eindexamenjaar op de Handelsschool en zijn actieve sportcarrière komt dan ook ten einde. Afgestudeerd maakt hij op kosten van zijn opgeluchte ouders dat najaar een reis naar Griekenland en Klein-Azië en hij bundelt in eigen beheer zijn brieven onder de titel Reis naar de Levant. Het is het begin van een groot, heel groot oeuvre, maar met zijn tweede werk, het blijspel De papa van Daisy Bell, begint hij als 20-jarige – ‘den nieuweling-auteur J.F.’ van De Kampioen – op te vallen.

Jongelingen met ambities

Tussen 1885 en 1895 vindt een aantal technische vernieuwingen plaats die het gebruik van het rijwiel zowel aangenamer als – desgewenst – sneller maken: de ontwikkeling van de driewieler en daarna de safety bike, de ‘moderne’ fiets met twee even grote wielen en een aan het frame opgehangen crankstel dat met een ketting het achterwiel aandrijft. En de luchtband, die voor meer vering zorgt op vaak nog slechte ondergronden. Het productieproces van de fiets wordt in hoog tempo gemoderniseerd, terwijl de kosten van het product dalen. Kranten en tijdschriften plaatsen advertenties met de nieuwste modellen. Het leger stort zich op het nieuwe verschijnsel, omdat verplaatsing per fiets sneller gaat dan lopend of te paard. De wedstrijdsport ontwikkelt zich, het eerst en het meest in de Angelsaksiche landen en Frankrijk, maar ook in België, Duitsland en Nederland. Het moderne rijwiel is een symbool van het ‘modernisme’.

Ook de journalistiek ontgaat dit niet. Zij beschrijft en begeleidt de ontwikkelingen; speciale wielerbladen verschijnen. In Engeland onder andere Bicycling News, The Cyclist en The London Bicycle Gazette en in de Verenigde Staten The Wheel World. In België is Le Cycliste Belge het eerste serieuze wielerblad, uitgegeven vanaf 1884 in Leuven. In Frankrijk verschijnt Le Véloce-Sport en in La Bicyclette begint Henri Desgrange – in 1903 de organisator van de eerste Tour de France – zijn schrijvende carrière.

In Nederland start de ANWB in 1884 met een nieuwsbrief, die een jaar later De Kampioen wordt – dan nog een exclusief wielrijdersblad. De eerste tijd wordt het gevuld met pure informatie, verenigingsberichten, aankondigingen van wedstrijden, evenementen en tentoonstellingen, uitslagen en ranglijsten, ingezonden brieven over kwesties die spelen bij de leden, en soms een reisverslag.

Maar enkele jonge sportenthousiasten hebben hogere ambities. ‘Just’ Muller Massis, een predikantenzoon uit het oosten des lands, is in 1892 een jonge redacteur bij het Algemeen Handelsblad met onder meer sport in zijn portefeuille. Hij neemt het initiatief tot het Amsterdamsche Bondslokaal in de Kalverstraat, als plek voor sport-gerelateerde vergaderingen, tentoonstellingen en bonte avonden; hij wordt in 1894 plaatsvervangend hoofdredacteur van De Kampioen, onder Frans Netscher. Carl Corvey, zoon van de directeur van een grote papiergroothandel aan de Amsterdamse Keizersgracht, is 17 jaar als hij eind 1893 begint met het weekblad Het Wielernieuws, met Muller Massis als mederedacteur. Het blad heeft literaire aspiraties; het tweede nummer bevat ondermeer ‘“Liefde”, een sportnovelle’. Het bestaat maar anderhalf jaar; in 1896 publiceert het duo samen de bundel Opstellen over Sport.

Carl Corvey is ook een sociale gangmaker. De Kampioen van november 1894 bevat een verslag van ‘De feestelijke opening van het winterseizoen’ van de Amsterdamsche Wielervereeniging in het Bondslokaal, met vrolijke redevoeringen, sketches, café-chantant, jongedames op het toneel en het clublied, met een hoofdrol voor Corvey. In het wielerblijspel Daisy Bell neemt hij de rol van bondsbestuurslid Van Peddelen voor zijn rekening. Hij en Muller Massis moeten van grote waarde geweest zijn voor Jan Feiths start in de journalistiek. Het is niet onwaarschijnlijk dat Just hem introduceerde bij het Algemeen Handelsblad, waar rederszoon-hoofdredacteur Charles Boissevain, zelf de auteur van een aantal reisreportages, een sport-welgezind bewind voert.

De tandem als sociale metafoor

Van Peddelen. ‘Daisy! Vergeef den sterveling, die aan je heilige voeten ligt. Vergeef hem zijn misdaad Hij heeft je lief! Daisy, ik bemin je.’

Daisy. ‘Mijn hemel, mijnheer!’

Van Peddelen. ‘Och toe, zeg niet “neen”.’ Daisy. (zeer verlegen.) ‘Ik heb niet “neen” gezegd, mijnheer!’

Van Peddelen (slaat zijn arm om haar middel.) ‘Mijn engel, zeg dan “ja”!’

Daisy. ‘O! Ik durf niet. Als Papa…’

Van Peddelen (ongeduldig.) ‘Alweer Papa! Telkens Papa! Maar bedenk toch welk een heerlijk leven aan mijn zijde. Altijd fietsrijden! ’s Morgens, ’s middags, ’s avonds, ’s nachts… altijd rijden.’

De Britse vaudeville componist Harry Dacre heeft in 1892 – hij is dan 32 jaar – aan een bezoek aan collega’s in de Verenigde Staten een song overgehouden, waarin onder de titel ‘Daisy Bell’ een jongedame wordt aangesproken door een jongeman die om een huwelijk smeekt: ‘Daisy, Daisy, give me your answer do, I’m half crazy, all for the love of you.’ Veel geld heeft hij niet, maar hij belooft haar wel dat ‘you’ll look sweet, on the seat, of a bicycle built for two’. Dat laatste is de bedoelde catchphrase van de song: ‘Bicycle built for two’. Mooi ritme, pakkende alliteratie. Het verhaal wil dat de Amerikaanse muziekuitgeverijen weinig met zijn song op hadden, maar dat, terug in Engeland, de zangeres Katie Lawrence hem opneemt in haar repertoire voor de music halls van Londen. Dat slaat ineens aan. Een hit is geboren, het publiek krijgt er geen genoeg van. New York gaat alsnog uit zijn dak bij de versie van Jennie Lindsay en Dan Quinn neemt de song op als phonograph record, ook een hit. Harry heeft een klassieker geschreven, een onverbiddelijke evergreen. Over een meneer, een juffrouw en een fiets.

De tandem, de bicycle built for two, is in opkomst in Engeland als ‘marital’ vervoermiddel en dat draagt aanzienlijk bij aan het succes van Harry Dacre’s song. Niet alleen dat, de tandem wordt een metafoor voor de onderlinge politieke en sociale verhoudingen tussen man en vrouw. Wie heeft de leiding op een tandem? De song houdt zijn mening voor zich, aan Daisy wordt zowel voorgesteld ‘You’ll take the lead’ als ‘You’ll be the bell which I’ll ring’. ‘Bell’ klinkt, niet toevallig, fonetisch precies hetzelfde als het Franse woord ‘belle’, ook in het Engels ingeburgerd. Uiteraard hoeft de erotische ondertoon van zulke regels aan het doorsnee publiek niet te worden uitgelegd.

aletta-jacobs

Aletta Jacobs op de fiets, waarschijnlijk met haar echtgenoot. Bron: Jacobs, Aletta. Herinneringen van Dr. Aletta H. Jacobs. Amsterdam: Van Holkema & Warendorf, 1924, 218.

De tandem maakt het wielrijden toegankelijk voor vrouwen, en vervolgens maakt de safety bike het hen een stuk gemakkelijker om zelfstandig deel te gaan nemen aan het rijwielverkeer. In Engeland ontstaat vanaf begin jaren negentig een ‘craze’ in het ‘bicycling for ladies’. Het fenomeen wordt geadopteerd door de suffragettes, de emancipatiebeweging die streeft naar vrouwenkiesrecht en het elimineren van de sexe-ongelijkheid. Opvallend aan het succes van ‘Daisy’ is dat een mannelijke stem zo succesvol wordt uitgevoerd door vrouwelijke performers. Maar dit zijn dan ook de Gay, Naughty Nineties. Decadente kunst, societyschandalen, Oscar Wilde, gender-bending. Gesteund door een aantrekkende economie die consumptie bevordert, ontworstelen vrouwen zich aan baleinen en insnoering, gaan ‘mannelijke’ kleding dragen.

De correspondent van de Arnhemsche Courant beschrijft in december 1893 het swingende Londen van die dagen. De up-to-date girl wil
mannen in alles nabootsen. ‘Daarom draagt zij zijn overhemden, hooge boorden, dassen, knoopen, dasspelden, overjassen, vilten of stroohoeden en lederen gordels. In zulk een costuum gevoelt zij zich aux bouts des ongles een man.’ Maar ook moet zij ‘een man hebben met flinke gestalte en houding en bovenal… goede beenen, om een goed figuur te maken, wanneer zij samen cricket spelen of hun huwelijksreisje, op de manier van Daisy uit het café chantant deuntje, op een bicycle made for two (vélocipède voor 2 personen) ondernemen.’

Daisy komt naar Nederland

Daisy. ‘Papa! Nu u toch die redevoering tot mij houdt, moet u mij ook toestaan, om evenals in de kamer met mij er over te debatteeren.

Kamerlid (gemaakt vroolijk.) Ha, ha, dat is bepaald geen onaardige inval! Nu, enfin, ik vind het goed, vorm jij dus de oppositie.

Daisy (gemaakt deftig.) Wanneer ik dan het geachte lid mag verzoeken, zich duidelijker uit te drukken en te willen stipuleeren welke gevaren hij in het wielrijden ziet?

Kamerlid (zich opwindend.) Welk gevaar? Welk gevaar? Maar de menschen loopen tegenwoordig niet veilig meer over straat! Elk oogenblik kan men onder zoo’n vélocipède verpletterd worden! En thuis is het even erg! ’t Is een ware plaag, eene bezoeking des duivels! Hier in mijn studeerkamer, vergaat men haast van het getoeter van die ellendige wielrijders-hoornblazers. Ik word nog eens gek, door dat beroerde getingel en gebel! (men hoort buiten weer getoeter en geschel.)

Harry Acre’s song dringt al snel ook in Nederland door. Bladmuziek van ‘Daisy Bell. Komisch Lied.’ wordt opgenomen in de collectie Potpourri No. 3 voor Piano, naast ‘Sientje laat me los’ en ‘Terèra-boemdejé’, en gaat bij duizenden exemplaren de deur uit. In 1894 is Dan Quinns uitvoering verkrijgbaar bij The World’s Phonograph Company op het Rokin in Amsterdam, een Europese vestiging van het verkoopbedrijf van Thomas Edison. In hetzelfde jaar nog verschijnt er een Nederlandse vertaling. Jan Feith heeft een insteek voor zijn blijspel.

Hoe luchtig gebracht ook, Jan Feith sluit aan bij serieuze actualiteit. Juffrouw Daisy speelt in het stuk al manouvrerend een hoofdrol bij het afwenden van wetgevend onheil voor wielrijdend Nederland, en slaagt al doende er zelf ook nog eens in, haar brommende vader ten spijt, op het rijwiel te geraken. Waarmee het thema sekse-emancipatie slim verwerkt is. Nederland kent weliswaar geen rijwielmanie van Engelse proporties, maar De Kampioen had wel al sinds 1889 de rubriek ‘Sportzusters’. In Den Haag wordt in 1893 de Eerste Nederlandsche Dames- Wielervereeniging opgericht onder de naam ‘Honni soit qui mal y pense’, en vroeg-feministe Aletta Jacobs maakt met haar echtgenoot lange fietstochten, waaronder in 1894 over de Alpen, mede uit sociaal-maatschappelijke nieuwsgierigheid.

Onheil afgewend?

Dat de uitkomst van het blijspel gewaardeerd wordt door een landelijk publiek van wielerenthousiasten, spreekt voor zich. Maar het in het stuk afgewende onheil was wel iets dat wielend Nederland bezig was over zichzelf af te roepen. In zijn openingsrede bij de algemene vergadering van de ANWB in Amsterdam in september 1892 voelt voorzitter Edo Bergsma van de ANWB zich gedwongen een gevoelig onderwerp aan te roeren, dat voortkomt uit de spagaat waarin de bond zich bevindt: zij behartigt de belangen van zowel de liefhebber-toerrijders als de training- en wedstrijdgerichte wielrenners. ‘Een ongeluk, wij weten het allen, zit in een klein hoekje’, stelt de voorzitter nog voorzichtig, maar ‘een lummel is het, de wielrijder, die door eigen onvoorzichtigheid, door eigen roekeloosheid, een ongeluk veroorzaakt en daarna zijn slachtoffer niet alleen niet bijstaat, maar zelfs nog met grove scheldwoorden overlaadt, met straattaal overstelpt. En dat is voorgekomen overal, maar hier in Neerlands hoofdstad het meest.

Bergsma is voorzitter van een bond met een gestaag groeiend ledenaantal, maar dat betekent niet dat de acceptatie van de activiteit daarmee gelijke tred houdt. In een ingezonden brief op 17 september in het Algemeen Handelsblad werd het door Bergsma aangehaalde incident met onverholen woede beschreven. Maar vergelijkbare gebeurtenissen worden al meer dan twee decennia gemeld, voor Rotterdam, Deventer, Den Haag, waar al niet. En het zijn lang niet uitsluitend racende hardrijders die kommer en kwel veroorzaken, maar evengoed onoplettende, overmoedige of soms gewoon hondsbrutale burgers.

Het niet-wielende publiek komt hier en daar in opstand. Het Rotterdamsch Nieuwsblad van 1890 meldt dat mensen ‘wel met blindheid geslagen of buitengewoon optimistisch gezind moeten zijn om te beweren, dat de wielersport ten onzent de populaire tak van sport bij uitnemendheid is. […] Onze lieve straatjeugd schijnt de wielrijderij te haten met een gansch zeer grooten haat, die der jeugd, welke onze straten en pleinen onveilig maakt, schijnt aangeboren en de gedachte is wel eens bij ons opgekomen of men in iederen wielrijder soms ook een vogelvrijverklaarde ziet, tegenover wien de grootste baldadigheid niet alleen geoorloofd, maar zelfs geboden is.’

Edo Bergsma v
erzekert zijn publiek dat zijn bond er altijd zal zijn voor ‘vrienden [die] werken wat zij werken kunnen om de zaak vooruit te brengen, de wielersport te doen bloeien en het wielrijden meer en meer tot algemeen goed te maken van zoovelen’. En mochten zich onder de ‘vlegels’, ja onder deze ‘rotte appels’, bondsleden bevinden, dat dan, in samenwerking met de politie, ‘hunne namen gepubliceerd zullen worden en schorsing in of ontzetting uit het lidmaatschap’ zal volgen.

De parkopzichters van het Vondelpark krijgen opdracht te controleren op de aanwezigheid van ‘schellen’ op de door het park rijdende vélocipèdes, maar als dat niet blijkt te helpen, wordt vanaf voorjaar 1892 bij gemeentelijke verordening een groot deel van het park voor wielrijders afgesloten. En zo treft elke gemeente zijn maatregelen.

fietsen-vondelpark

Onfatsoenlijk weggedrag van fietsers in het Amsterdamse Vondelpark. Prent van Johan Coenraad Braakensiek (1858-1940). Datering: 18 september 1892. Bron: Stadsarchief Amsterdam.

In de Tweede Kamer worden vragen gesteld over een landelijke aanpak om de wielrijdende wanorde in te dammen, en dat beleid komt er ook. Vanaf 1898 worden wielrijders landelijk geregistreerd via een rijksrijwielbelasting, die, met een korte onderbreking, tot 1941 blijft bestaan. De ANWB zegt in hetzelfde jaar de wedstrijdsport vaarwel. Het beheer daarvan komt terecht bij de Nederlandsche Wielerbond, die in 1928 opgaat in de Nederlandse Wielren Unie. Een dieptepunt wordt in 1905 bereikt met de invoering van de Motor- en Rijwielwet, met daarin een algemeen verbod om op een openbare weg wielerwedstrijden te houden, ‘tenzij er verlof is gegeven’.23 Dat gebeurt zo zelden dat het heel lang vrijwel onmogelijk is om wegwedstrijden te houden. Het gevolg is dat de wielrenners in ons land zich specialiseren in baanwedstrijden, omdat die buiten de beperkende wetgeving vallen.

Geen ineenprutsen meer

Jan Feiths Daisy heeft embryonale voorlopers. Charles Boissevain publiceert in De Gids van 1884 het reisverslag ‘Van den Rijn naar zee op een driewieler’, waarin hij betoogt dat veel meer dan de trein, een rijwiel het mogelijk maakt te genieten van Nederland en het Nederlandse landschap, daarbij de pretentieuze literaire referentie (de Engelse dichters Wordsworth en Shelley) niet schuwend.24 De Kampioen publiceert in 1888 het luchtige vierdelige feuilleton ‘Een nieuwe huwelijksmakelaar’, gepresenteerd onder het pseudoniem Quidam (‘Jeweetwel’), waarin het rijwiel wordt toegedicht het ontmoeten van nieuwe oorden te bevorderen, en van nieuwe mensen, onder wie, met name, potentiële echtgenotes.

In het Voorwoord van de gepubliceerde versie van Daisy schrijft Carl Corvey: ‘’t Is nog pas zoo kort geleden, dat de ontwikkelingsperiode van de wielersport die van haren bloei nabij kwam en er zich mede vereenigde, dat de uitbreiding van hare letterkunde daarmede geen gelijken tred heeft kunnen houden, ja, we zouden in dit opzicht al zeer armzalig bedeeld zijn, tenware niet juist het vorige jaar de sport-leestafel wat ruimer voorzien is geworden, en wij thans het verschijnen van dit oorspronkelijke blijspel als eene schrede op een nieuwen weg kunnen beschouwen.

Met deze ‘ruimere leestafel’ zet Corvey zijn eigen Wielernieuws nog eens in de etalage. Met zijn ‘schrede op een nieuwen weg’ bereikt Jan Feith een voor Nederland nieuw niveau: dat van het sociaal commentaar en de beschrijving met een bewust literair karakter in een avondvullend verhaal over wielersport. En Jan weet goed waarover hij schrijft, want hij maakt zelf deel uit van het wereldje.

jan-feith-mr-bell

Jan Feith als Mr. Bell in de door hem geschreven ANWB-jubileumrevue Om ’t 100.000ste! uit 1933. Bron: http:// www.geheugenvannederland. nl.

In de jaren na Daisy wordt Jan Feith écht bekend, met werk dat nu participatiejournalistiek genoemd zou worden. Hij reist embedded mee met een torpedo- onderzeeboot, schrijft over criminaliteit en de bestrijding ervan, en over kinderverwaarlozing. En hij produceert boeken over populaire sportonderwerpen, onder meer als redacteur van het grote overzichtswerk Het boek der sporten in 1900, de eerste dergelijke publicatie in Nederland. In 1905 schrijft hij in De Kampioen een feuilleton over een driedaagse autotocht door Nederland. Hij schaatst in 1909 in de eerste Elfstedentocht 160 kilometer op met de latere winnaar Minne Hoekstra en doet daarvan verslag in het Algemeen Handelsblad.

In 1917 nog, inmiddels 42 jaar oud maar goed getraind, wint Feith de 15-Dorpentocht bij Alkmaar de eerste officiële toertocht in Noord-Holland. Zijn Wikipedia-pagina bevat een lijst van 98 ‘Monografieën‘ en items – hij blijft ook doorschrijven in het luchtige genre – onder ‘Toneel/Revu’. Hij bekleedt een hele reeks functies in de hockey- en tenniswereld, waaronder het voorzitterschap van de Nederlandsche Lawn Tennis Bond van 1912 tot 1921. Van 1921 tot 1926 is hij in Indië in Bandoeng als redacteur van De Indische Post, en – terug in Nederland
– van 1927 tot 1933 hoofdredacteur van De Kampioen.

Op 11 april 1895 ronken de makers van het Nederlandse sportblad De Athleet dat de tijd van ‘het ineenprutsen der stereotype wedstrijd- en vergaderingsverslagjes’ voorbij is, omdat sportjournalisten zich inmiddels zo hebben ontwikkeld dat ze meer schrijfkwaliteiten kunnen aanboren. In de vorm van zijn blijspel sneed Jan Feith serieuze en actuele thema’s aan en stond hij aan de basis van het moderne Nederlandse wielerverhaal.

Kamerlid (tot de verzamelde wielrijders.) Nederlandsche Wielrijders! Het feest gaat beginnen! Zoo aanstonds ga ik U voor, naar het banket, dat ik ter Uwer eere laat aanrichten! Vreugde heersche in Uw midden! Uwe sport heeft heden weer eene gewichtige schrede voorwaarts gedaan! […] Steeds verder breidt zich de overwinning van het rijwiel over het
menschdom uit! Maar nog is het einddoel, Uw ideaal niet bereikt! Strijdt moedig verder! Het rijwiel is de toekomst! Gij moet overwinnen! Leve het rijwiel!
EINDE

Geen reactie's

Geef een reactie