Met oom Evert naar kamelenland

De Tour de Tunisie van 1959: ‘Het ware verhaal van een ongeloofwaardig wieleravontuur in Noord-Afrika.’

 

Met oom Evert naar kamelenland


Gijs Zandbergen

In de vroege namiddag van woensdag 15 april 1959 kwamen in café-restaurant De Vliert van het gelijknamige sportpark in Den Bosch de Amsterdamse wielerjournalist Evert van Mokum, verzorger-mecanicien Jan Buis en zes jonge renners bijeen voor een voorbespreking. Het ging om de 1600 kilometer lange Ronde van Tunesië, die tien dagen later van start zou gaan. De koers werd georganiseerd op initiatief van de charismatische president van Tunesië, Habib Bourguiba, een wielerliefhebber sinds hij in Parijs rechten en politicologie had gestudeerd. De voormalige verzetsstrijder wilde het in 1957 zelfstandig geworden land moderniseren en met behulp van een nationale wielerronde onder de aandacht van Europese toeristen brengen.

De zes renners die aanwezig waren in De Vliert waren Frits Ramakers (23, Echt), Frits Knoops (21, Koningsbosch), Piet Rentmeester (20, Yerseke), Dick Enthoven (22, Halfweg), Joop van der Putten (24, Den Haag) en Henny Marinus (20, Amsterdam). Geen van hen was ooit zo ver van huis geweest. Dat alleen al beloofde hun deelname tot een benijdenswaardig avontuur te maken. Van de wedstrijd zelf verwachtten ze overigens niet veel, ze beschouwden hem meer als een goedkoop trainingskamp. Ze moesten hun eigen reservemateriaal meenemen, maar de reis ernaartoe en het verblijf zouden worden vergoed.

De reis zou per trein naar Parijs gaan, en na een overnachting naar Marseille. Daar zouden alle Europese renners en hun materiaal per vliegtuig gezamenlijk de Middellandse Zee oversteken. Er stond een peloton aangekondigd van 66 renners, onder wie 12 Tunesiërs; een niet al te sterk geheel, afgezien van de Belgen en wellicht een enkele Joegoslaaf.

De Ronde start in Tunis
Bijna zestig jaar later kunnen vrijwel alle deelnemers zich tot in detail de wedstrijd en de omstandigheden herinneren. Dat toont wel aan hoe groot de indruk is geweest die ze hebben opgedaan in een land, dat Van Mokum had voorgespiegeld als een warm, exotisch oord. Kamelen en muilezels liepen er gewoon over straat, wist hij, de vrouwen waren gesluierd en de mannen droegen een fez. En dan waren er ook nog de uitgestrekte verlatenheid en de gloeiende hitte van de woestijn, waar het ’s nachts ijskoud kon zijn. Dus moesten ze beslist een pyjama meenemen.

Maar toen ze arriveerden bleek dat beeld niet te kloppen. Tunis was een drukke, Europees aandoende, stad met auto’s, trottoirs, flats, winkels, reclameborden, spoorlijnen, industrieterreinen, opslagloodsen en brede wegen. Geen spoor van kamelen of gesluierde vrouwen. De mannen droegen geen fez, maar een wollen muts, want het was er kouder dan toen renners en begeleiders uit Nederland waren vertrokken.

Toen de renners op zaterdagochtend 25 april voor de start naar het centrum van Tunis fietsten, regende het licht. Voorafgegaan door motoragenten in zwart leer peddelde het peloton naar de stadsgrens. Daar zwaaide de wedstrijdleider met een vlag en de eerste internationale Ronde van Tunesië was begonnen.

Wegen werden rivieren
De Ronde was acht etappes lang, begon met drie etappes langs de kust, ging daarna het binnenland in om dan dwars door de woestijn terug te keren naar de hoofdstad. De eerste etappe voerde over zo’n 120 km. van Tunis naar Sousse. Een half uur na het vertrek stak er een sterke wind op, werd de lucht pikzwart en begon het hard te regenen. De onverharde wegen liepen in een oogwenk vol met bruine modderplassen. Van Mokum schreef later in het blad Wielersport: ‘Onophoudelijk, uren achtereen, gutste het water uit een volkomen zwart geworden Afrikaanse hemel op de ruggen der 66 renners. De tricots van de deelnemers dropen van het water. De broekjes, sokjes en schoentjes idem; het eten in de zakjes veranderde in rijstebrij. Wegen waren rivieren geworden en rivieren veranderden in meren. Menige ketting begaf het en meer dan eens moesten renners een verse tube omleggen met vingers, die verstijfd waren van de kou. Auto’s en andere vehikels bleven plotseling midden in de karavaan staan, konden niet verder en hielden de boel op.’

Bussen en vrachtwagens hadden het tijdens de Ronde van Tunesië in 1959 niet gemakkelijk. Fotograaf onbekend.

Door het noodweer had het publiek geen enkele belangstelling voor de wedstrijd. Ter hoogte van de weggespoelde aankomstlijn schuilden de aankomstrechter en diens assistent onder een zeildoek. De twee juryleden zagen een kopgroep van acht doorweekte en verkleumde renners, onder wie Piet Rentmeester en Dick Enthoven, de onzichtbare meet passeren en oordeelden dat de West-Duitse renner Ludwig Troche had gewonnen, al had die dat zelf niet in de gaten. De renners waren doorgereden en stopten pas toen ze bij een kruising niet meer wisten hoe ze verder moesten. Hun aankomst was bijna anderhalf uur later dan gepland en toen Henny Marinus nóg een uur later arriveerde, was het al bijna donker. Hij was twintig kilometer voor de finish in een diepe plas water gevallen, waarbij hij zijn rechterhand tot bloedens toe had verwond. Ambulance noch bezemwagen had hem opgemerkt. Zo goed en zo kwaad als het ging was hij naar Sousse gefietst, waar hij werd opgevangen door een schuldbewuste Van Mokum. In het ziekenhuis kreeg hij een tetanusinjectie uit een enorme spuit.

Slivovitsj
Die avond vergaderde de organisatie over de vraag of de wedstrijd kon worden voortgezet. De beslissing werd uitgesteld tot de volgende ochtend en dat kwam goed uit want in de loop daarvan werd het droog en om twaalf uur was het bij de start zelfs aangenaam warm. Omdat de organisatie bij geruchte vernomen had dat grote delen van het parkoers langs de kust op weg naar Sfax waren weggespoeld, werd er besloten de wedstrijd te neutraliseren tot Monastir, de geboorteplaats van de president. Door het trage tempo van de neutralisatie konden de renners de omgeving beter bekijken, en het verschil met Tunis bleek nu groot. Eindelijk zagen ze de beloofde kamelen, muilezels, gesluierde vrouwen en mannen met een fez, met kwastje.

In Monastir meldde een verkenner dat de weg verderop onbegaanbaar was en na een reis met inderhaast georganiseerde vrachtauto’s en bussen werd 50 kilometer verderop opnieuw gestart. Maar al die moeite was voor de Nederlanders niet voor niets, verre van. In Sfax na 109 overgebleven kilometers won Joop van der Putten de eindsprint van een kopgroep met daarin ook weer Dick Enthoven en Piet Rentmeester.

Joops zege werd na het eten gevierd met een fles slivovitsj, gekocht van een Joegoslavische verzorger. Mede doordat de maaltijd karig was geweest, werd de groep bepaald luidruchtig, tot begrijpelijke ergernis van de andere ploegen. De meereizende buikdanseres verhoogde alleen maar de feestvreugde.

De volgende ochtend sprak iedereen over de gebeurtenissen van de vorige dag. Er zou ergens een brug zijn ingestort en een autobus met toeristische volgers in het water zijn gevallen, met mogelijk elf doden. Frits Ramakers: ‘We vonden het natuurlijk vreselijk voor die mensen, maar wat moesten we ermee? Wij hadden er niets van gemerkt. De wedstrijd ging ook gewoon door.’

Waar de renners wel wat van merkten, was dat een gestrande vrachtauto met proviand onderweg door de lokale bevolking was geplunderd. Als gevolg daarvan had het ontbijt uit slechts twee broodjes en een kop koffie bestaan. Dat hinderde des te meer, omdat de Nederlanders zelf niets hadden meegenomen. Andere teams, zoals de Belgen en de Zweden, hadden dat wel gedaan. Die weigerden echter te delen, omdat de Nederlanders zich met hun luidruchtige gedrag de avond tevoren weinig populair hadden gemaakt.

In een tentenkamp
Toen het peloton om één uur ’s middags klaarstond voor rit drie naar Gabes was het zonnig en windstil. Voor het eerst kon men zich aan het geplande etappeschema van 38 km. per uur houden. Drieënhalf uur later werd gesprint op de sintelbaan van het plaatselijke sportveld. De Nederlanders waren met drie renners vertegenwoordigd in de kopgroep van 21 man, maar konden de sprint niet naar hun hand zetten. Piet Rentmeester werd vierde, Henny Marinus zesde en Joop van der Putten zevende. De Belgen deden het veel beter. Zij werden respectievelijk eerste, tweede en derde, en bezetten ook meteen de eerste drie plaatsen in het algemeen klassement.

Het rennerskwartier was dit keer geen internaat, maar een tentenkamp aan de rand van Gabes. De renners verfristen zich bij een teil water en wasten daarin hun wielerkleren, die ze aan scheerlijnen te drogen hingen. Het avondeten vond in de buitenlucht plaats, aan een lange houten tafel met naast elk bord een wit servet, en het werd opgediend door gestropdaste obers. Piet Rentmeester: ‘Tamelijk deftig. Jammer dat het eten na twee happen al op was.’

Rennerskwartier aan de rand van Gabes. Foto: Jan Buis.

‘s Nachts werden de nadelen van het slapen in een tent duidelijk. De renners hadden het, ondanks de pyjama’s, ijskoud gehad, doordat de dekens kort en dun waren. Daarnaast ergerden ze zich aan het sanitair. Of liever, aan het gebrek daaraan. Ramakers: ‘We moesten poepen in het bos. Daar lag een boomstam waar je overheen moest hangen. Ik geloof dat het hele dorp daar kakte. Af en toe gooiden ze er aarde overheen, maar het stonk er verschrikkelijk en het gonsde van de vliegen.’

En nog meer leed: de ’s avonds opgehangen shirts waren verdwenen. Piet Rentmeester: ‘De KNWU had die shirts meegegeven. Ze waren schoon, maar daarmee is alles gezegd. Ik denk dat ze minstens vijftig keer waren gedragen. Toen Henny Marinus en ik die ochtend het dorp inliepen om wat te eten te zoeken, zagen we een jongetje in een vaal oranje wielershirt lopen. “Wat denk je”, vroeg Henny, “gaan we er achteraan?” “Laat maar zitten”, heb ik gezegd. “De mensen hier kunnen ze beter gebruiken dan wij. Laat Van Mokum dat maar met de KNWU oplossen.”’

De beslissende rit
De renners kenden inmiddels de oorzaak van de voedselschaarste, maar mopperden er niet minder om. Van Mokum, door de renners inmiddels ‘oom Evert’ genoemd, beloofde op zoek te gaan naar etenswaar. Bakkers bleken schaars, maar in een achterafzaakje vond hij een oud vrouwtje dat bereid was hem een paar harde, droge koeken te verkopen.

Korzelig reden de Nederlanders naar het dorpsplein voor de start van de vierde etappe naar Gafsa. Jaloers keken ze naar de Zweden, die zelfs hun borstzakken vol voedsel hadden. Piet Rentmeester bekende dat hij daar spijt kreeg aan de Ronde van Tunesië te zijn begonnen. Desondanks kwam er succes, zij het niet voor Piet.

De route voerde tientallen kilometers over kaarsrechte wegen door een steeds kaler wordend landschap. Soms passeerden de renners een oase, waar haveloze dorpsbewoners voor hun hutten stonden te kijken naar iets voor hen unieks: een groep wielrenners gevolgd door een stoet auto’s.

De start in Gabes op weg naar Gafsa. Foto: Jan Buis.

Deze rit bleek uiteindelijk beslissend voor de einduitslag, want de drie leidende Belgen werden op een kwartier of meer gereden. Hun ploegleider Van Dorselaer wist in Het Laatste Nieuws hoe dat kwam: ‘In de vierde rit zijn onze renners verrast door de sirocco, een warme wind in het zuiden, welke de kelen schroeit en de benen afsnijdt. In deze rit reden sommige van onze renners ziek en zwijmelend van de hitte over de weg.’

Op zijn minst even waarschijnlijk is dat de rest van het peloton geen zin had de weinig solidaire Belgen naar de kop van de wedstrijd te brengen. Van Mokum gaf in Wielersport het relaas van de etappe. Ongemerkt waren vrij kort na de start tien renners uit het peloton gewipt. Hoe dat allemaal in zijn werk was gegaan, was moeilijk te verklaren. In elk geval bestond het tiental uit niet minder dan vijf Zweden, drie Tunesiërs, een Joegoslaaf en Frits Knoops. Het zat deze jonge Limburger al lang niet lekker dat hij na drie etappes op een dikke twaalf minuten van de roodwittetruidrager stond, en toen de Zweden op avontuur gingen, toog Frits mee. Het weer was rustig; een gloeiende plaat hing in een wolkeloze hemel en hier en daar ging de weg steil omhoog.

Frits Knoops heeft de vierde etappe naar Gafsa gewonnen. Achter hem Evert van Mokum, die de Tunesische renner Abdelkader Touati nadrukkelijk bij de huldiging betrekt, wat hem veel goodwill bij de organisatie opleverde. Rechts de rondemiss. Foto: Jan Buis.

In de streek van het Djebel Orbata-gebergte, na een kleine tachtig kilometer, had de kopgroep zonder veel strijd een minuut of acht en in de Oued El Hassi-vallei, twintig kilometer verderop, bijna twaalf minuten. De stijlrijke en zelfbewuste Knoops won met bijna een minuut voorsprong op zijn medekoplopers op grootse wijze de etappe en het algemeen klassement onderging een metamorfose. Göran Karlsson, volgens Van Mokum de sterkste man van de zes Zweedse fabrieksamateurs en de ‘Noordse’ kampioen, had de leiding overgenomen, gevolgd door zijn land- en naamgenoot Knut Karlsson, de Joegoslaaf Nevenko Valčić en Frits Knoops, die oprukte van de 22e naar de vierde plaats.

Honger, dorst en diarree
De volgende dag – Oom Evert had er voor gewaarschuwd – stond er een rit van maar liefst 242 kilometer op het programma door de woestijn naar Le Kef, niet ver van de grens met Algerije. Dat betekende vroeg op en om half zes, kort na zonsopkomst, stonden de renners naast hun veldbed. Ze waren in een bijzonder slecht humeur, want de nacht was wederom koud geweest.

De stemming verslechterde nog verder toen de ontbijttafel nog maar één broodje en één kop koffie per persoon bracht. Met uitzondering van Frits Knoops kondigden ze aan niet meer te willen vertrekken. Maar Van Mokum kon zich dit allemaal niet permitteren en hield een donderspeech om de staking af te wenden. En hij had succes, want alleen Henny Marinus startte niet. Zijn hand deed nog steeds pijn en Van Mokum wilde niet het risico lopen erop te worden aangesproken als zijn renner ergens in de woestijn zou stranden. Nadat de Nederlandse renners hun broodje hadden opgegeten, begonnen ze, door de honger gedreven, aan de proviand die ze voor de eerste honderd kilometer meekregen: twee bananen, twee sinaasappels, tien vijgen en een broodje jam.

De staking mocht dan zijn afgewend, wat volgde was niets anders dan een ramprit. Joop van der Putten, die ongekookt water had gedronken, stond al snel ziek aan de kant. Toen Dick Enthoven opdracht kreeg hem op te wachten, zette die zijn fiets tegen een rotsblok en ging erop zitten. De zon brandde, de temperatuur bereikte zo’n 40 graden Celsius. Na twintig minuten kwam de organisatie voorbij rijden, met achterin een lijkbleke Van der Putten, die zelfs geen kracht meer had om naar hem te zwaaien. Dick, nu zelf met honger, dorst en diarree, wachtte wel op de bezemwagen.

Van de resterende drie Nederlanders stapte Frits Ramakers met een zonnesteek af. Piet Rentmeester dreigde er ook mee stoppen, toen hij voor de derde keer lek reed. Hij slingerde de kapotte tubes de woestijn in om ze even later toch maar weer te pakken, want banden waren duur en konden gerepareerd worden. Eindelijk kwam Van Mokum langs en legde mecanicien Jan Buis een nieuwe tube om. Piet wilde stayeren achter de ploegleidersauto, maar dat verbood Van Mokum, omdat het tegen de regels was en te gevaarlijk.

Joop van der Putten, kort voor hij in de woestijn van Le Kef zou opgeven. Fotograaf onbekend.

Bij de vijfde lekke band was voor Piet Rentmeester de maat vol : ‘Ik heb tegen Van Mokum gezegd dat hij maar achter Knoops moest gaan rijden en dat ik wel alleen op de bezemwagen zou wachten. Er was voor mij geen eer meer aan te behalen, want ik had minstens een half uur achterstand. En dan die dorst. Mijn kleinkinderen vragen soms om cola, omdat ze dorst hebben. Dan zeg ik: ‘Dorst? Opa heeft in Tunesië zoveel dorst gehad, dat hij niet eens meer om drinken kon vragen, zo droog was zijn keel.’

Karlsson houdt Knoops in de gaten
Zodoende was Frits Knoops de laatste Nederlander in een gestaag uitdunnend peloton. Maar ook hem bleven de lekke banden niet bespaard. Hij verving de tube steeds zo snel mogelijk en reed dan in zijn eentje terug naar de groep. Toen zijn reservebanden opgebruikt waren, werd hij nerveus, want Van Mokum was in geen velden of wegen te bekennen.

Uiteindelijk reed Knoops aan kop samen met de klassementsleider Karlsson, die gevrijwaard was gebleven van lek rijden. Zij zouden sprinten om de etappezege. Maar zo ver kwam het niet. Twee kilometer voor de eindstreep reed Knoops heuvel op voor de derde keer lek. Gelukkig was Van Mokum net op tijd bij hem gekomen en kon het verlies worden beperkt tot een halve minuut.

Bijna de helft van het peloton stapte die dag af. Er bleven nog maar 36 renners in koers, met daarbij Belgen, Duitsers en Zweden. Frits Knoops was prachtig opgerukt naar de tweede plaats in het algemeen klassement, weliswaar op vijf minuten achterstand van de leider.

De laatste vier dagen reed er een overzichtelijk peloton door Noord-Tunesië. Leider Karlsson hoefde alleen Frits Knoops in de gaten te houden. Toen Knoops weigerde een akkoord te sluiten, omdat hij nog kansen zag, ging de Zweed in de slag met de zes Belgen en de vier overgebleven Duitsers, die daarvoor keurig werden beloond met etappezeges.

Op de slotdag boekte Knoops toch een succesje. ‘s Ochtends won hij de tijdrit, waardoor hij drie minuten op Karlsson inliep. Voor het terugwinnen van de laatste twee minuten resteerde een vlakke middagrit van 105 kilometer naar Tunis. Het bleek een onmogelijke opgave, zelfs toen Karlsson tien kilometer voor de finish eindelijk lek reed. Knoops demarreerde, zoals hij de afgelopen dagen zo vaak had gedaan, maar de Belgisch-Zweeds-Duitse coalitie slaagde erin de achterstand van Karlsson te beperken tot 28 seconden, voldoende voor de Zweed om de eerste internationale Tour de Tunisie winnend af te sluiten.

Van Knoops’ strijd hadden de andere Nederlanders weinig gemerkt. Zij verbleven in een hotel in Tunis, waar ze geen kranten lazen. Henny Marinus: ‘We gingen elke dag trainen en daarna gingen we naar het strand. Het was net vakantie. Alleen Dick Enthoven bleef in het hotel. Hij kon niet zwemmen.’

De Nederlandse ploeg op het vliegveld van Tunis. Staand, van links naar rechts: Dick Enthoven, Evert van Mokum en Joop van der Putten. Zittend, van llinks naar rechts: Frits Ramakers, Henny Marinus, Piet Rentmeester en Frits Knoops. Foto: Jan Buis.

Evert had het naar zijn zin
Zo verliep de eerste en naar verwachting ook laatste Ronde van Tunesië. Het was een duur evenement geweest met weinig publicitaire aandacht in Europa. Soms had een enkele krant een berichtje van een persbureau opgenomen, maar veel meer dan de uitslag had dat niet omvat. Er was geen enkele Europese journalist aanwezig geweest en de ploegleiders, die berichten hadden kunnen doorgeven, hadden zich vooral onderscheiden door hun gemopper op de organisatie.

Een uitzondering was Evert van Mokum: hij had het geweldig naar zijn zin gehad en had vrienden gemaakt in alle lagen van de bevolking. Van haveloze dorpelingen in Zuid-Tunesië tot president Bourguiba aan toe, die hem had ontvangen in zijn paleis. Of dat vrienden voor het leven zouden zijn, betwijfelde Van Mokum, want hij had genoeg ervaring om te erkennen dat de kosten van de Ronde (naar schatting 650.000 euro naar huidige maatstaven) niet opwogen tegen de baten.

Hij schreef drie grote artikelen in het blad Wielersport en schreef in Revue over ‘het ware verhaal van het meest ongeloofwaardige wieleravontuur dat in een land buiten Europa is gebeurd en waarbij enkele veelbelovende Nederlandse wegrenners betrokken waren’.

Op dinsdag 5 mei vlogen de Europese renners terug naar Marseille en vandaar namen de Belgen en de Nederlanders de trein naar Parijs. Het Europese wielerseizoen begon, en dat eiste meteen de aandacht op.

Enkele weken na de Ronde van Tunesië werd op het autocircuit van Zandvoort het nationaal kampioenschap voor amateurs verreden. Aan de start stonden driehonderd deelnemers, van wie er bij de finish nog negentien over waren. Enkele ronden voor het einde ontsnapten Frits Knoops, Henny Marinus en Dick Enthoven gezamenlijk, waarna niet-sprinter Dick Enthoven zijn medevluchters uit het wiel reed en kampioen werd. Hij werd daarop beroepsrenner, verhuisde naar België en reed onder meer drie maal de Tour de France (1961-1963) in de equipe Pelforth-Sauvage-Lejeune van Jan Janssen. Hij sloot zijn wielerloopbaan in 1965 af en vond werk in de Belgische wegenbouw. Henny Marinus werd in 1960 beroepsrenner. Hij stopte in 1969 en begon een viswinkel in de Amsterdamse Jordaan.

De andere drie Tunesië-gangers reden als onafhankelijken. Joop van der Putten won in 1959 de Acht van Chaam, destijds de belangrijkste profkoers in Nederland. Hij werd na zijn wielertijd timmerman en overleed op 25 november 2015. Piet Rentmeester bleek een virus te hebben opgelopen, waardoor hij de rest van het seizoen aan de kant stond. Zijn wielerloopbaan duurde tot 1966, waarna hij een handelsmaatschappij in wielerkleding en -onderdelen begon. Door de verkoop van zijn bedrijf in 1980 werd hij financieel onafhankelijk. Hij is op 12 februari 2017 overleden. Frits Ramakers beëindigde eind 1959 zijn wielerloopbaan, omdat hij vader was geworden en te weinig verdiende om zijn gezin te kunnen onderhouden. Hij werd bouwvakker en later onderhoudsmonteur van een huizencomplex in Echt.

De Zweed Göran Karlsson reed als prof in 1960 de Tour de France, maar viel na een week uit; hij reed door tot 1963, zonder belangrijke uitslagen.

Verzorger-mecanicien Jan Buis werd wereldburger, onder meer als wielercoach in Australië, de Filippijnen, Lanzarote en Denemarken. Evert van Mokum overleed op 30 september 1991 op 88-jarige leeftijd. Hoe belangrijk de ronde in zijn leven is geweest, tonen twee enorme fotoalbums die in zijn nalatenschap werden aangetroffen. Ze staan vol foto’s, brieven en knipsels over de Ronde van Tunesië. Dit artikel is op deze albums gebaseerd, naast gesprekken met de deelnemers, nu mannen van rond de tachtig jaar.

1960 en daarna
Van de zes Nederlandse deelnemers is Frits Knoops de enige die nog een keer aan de Ronde van Tunesië heeft deelgenomen. Want tot ieders verbazing ging de wedstrijd in 1960 en de daarop volgende jaren toch door. In totaal hebben 25 Nederlandse renners aan de ronde deelgenomen. In 1960 en 1961 gebeurde dat vrij succesvol, want Nederland won allebei de edities het ploegenklassement. In de daarop volgende jaren ging het steeds slechter, met als dieptepunt 1964, toen Nederland geen enkele rol van betekenis speelde, en het podium vol toppers stond: Gösta Petterson, die in 1971 de Giro zou winnen, Lucien Aimar, Tourwinnaar van 1966, en sprint-crack Walter Godefroot.

Met dit erepodium leek de Ronde van Tunesië zijn naam te hebben gevestigd, maar dit was geruime tijd de laatste Ronde. In 1978 keerde hij terug op de agenda. In 1980 nam de Brabantse amateurploeg Driessen Stoffen Optillon eraan deel – en hoe. De Nederlander Hans Koot kwam in de eerste etappe solo over de finish en gaf zijn voorsprong niet meer uit handen. Na afloop stonden er drie Nederlanders bovenaan: Hans Koot, Piet Kuys en Herman Winkel, in die volgorde.

In de daaropvolgende jaren werd de wedstrijd beheerst door teams uit de DDR en Polen. Vanaf 1989 werd de ronde een louter Afrikaanse aangelegenheid, met als laatste winnaar in 2004 de Zuid-Afrikaan Jeremy Maartens. Daarna verdween de wedstrijd opnieuw, tot aan een tweede herstart in mei 2016. Winnaar van de tot vier dagen ingekorte ronde werd Abderrahmane Mansouri uit Algerije. De Belg Matthias Legley (Waregem, 1991) ligt de Ronde uitstekend: in 2016 won hij de vierde etappe en in 2017 het eindklassement.


Met oom Evert naar kamelenland
Een fotorijke reconstructie van de eerste edities van de Ronde van Tunesië wordt gegeven in Met oom Evert naar Kamelenland, dat zal verschijnen bij uitgeverij Sportmedia. Een E-bookversie is nu al te koop voor 2,50 euro.

Afkomstig uit

Geen reactie's

Geef een reactie