Een gezonde Hollandse jongen

Hans Maier en de Olympische Spelen van 1936: ‘Net als de meeste andere Nederlanders wil hij in de eerste plaats vrede.’

 

Een gezonde Hollandse jongen

 

Auke Kok

Hij werd slechts vijfde bij de Olympische Spelen van 1936 – eigenlijk maar een anonieme deelnemer. Toch was hij in de jaren ervoor een zwemsensatie. En zoals de meeste andere deelnemers vond hij het heel vanzelfsprekend om naar de hoofdstad van nazi-Duitsland af te reizen. Het verhaal van waterpoloër Hans Maier, die in 2018 als laatste ‘Berlijn’-deelnemer op 102-jarige leeftijd overleed.

Als de familie Maier zich in 1934 definitief vestigt in Nederland, ontpopt de achttienjarige Hans zich tot een zwemsensatie. Hij breekt nationale records of het niets is en dat zonder ooit zwemles te hebben gehad. Niemand gaat bij de schoolslag zo hard door het water als Hans Maier, en dat dankt hij, zoals hij later zal zeggen, aan een trucje. Van zijn beenslag klopt heel weinig. Tijdens het wijken van de knieën draait Hans zijn voeten enigszins, waardoor de wreven bijna verticaal komen te staan en het eenvoudig wordt zijn voeten krachtig naar achteren te duwen. Het officiële intrekken, spreid, sluit kan hier niet aan tippen.

Hans leerde zich het trucje aan tijdens zwemwedstrijden op Java, waar hij het grootste deel van zijn jeugd woonde als zoon van een legerofficier. Het waren wedstrijden tussen middelbare scholen in Batavia, Bandoeng, Soemarang, Soerabaja en soms Medang, en ze werden massaal gevolgd door publiek op echte tribunes. Zwemmen was dé sport op Java. Er was prestige aan verbonden en menige opgroeiende blanda leerde er min of meer vanzelf zwemmen. De zoons van bestuurders en militairen uit het moederland lagen dagelijks in het water, overal waren openluchtzwembaden en dankzij het warme klimaat waren ze altijd open. Een wedstrijd tussen Holland en Indië werd gewonnen door Indië – ondanks dat er in de kolonie uiteraard veel minder geschikte zwemmers waren dan in Nederland. ‘Geschikt’ wilde zeggen: blank of halfbloed.

Ziehier het succes van Hans Maier: in zijn fanatieke wil om te winnen is hij intuïtief tot een beenslag gekomen die veel beter is dan de erkende, maar hopeloos inefficiënte schoolslag van de Hollanders. En in een tijd dat nog lang niet alles is vastgelegd in de zwemsport kan Hans zijn gang gaan en tot verbijstering van de officials zomaar vier seconden sneller gaan dan het Nederlandse record op de honderd meter schoolslag. In Amerika is bijvoorbeeld al jaren een nieuwe slag in opkomst die de butterfly wordt genoemd en die sommigen toepassen bij de schoolslag. Het was een raar gezicht: zwemmers die tijdens een onderlinge wedstrijd verschillende armbewegingen maakten. Maar het was een pionierstijd in het wedstrijdzwemmen en er was veel mogelijk. Pas twintig jaar later zou deze ‘vlinderslag’ een aparte discipline worden.

Een deel van het Nederlandse waterpoloteam in Berlijn, met Hans Maier precies in het midden. Op de achtergrond Duitsers in uniformen. Foto: Archief Ton Bijkerk.

Waterpolo bij Het Y
Aangezien de armslag van Hans Maier wél overeenkomt met het gangbare, wordt het geoorloofd. ‘De jury moest lang beraadslagen over de slag, die Maier zwom,’ schrijft het Soerabaijasch Handelsblad in juni 1935, ‘omdat de beenen niet gespreid en gesloten werden, maar een soort Trudgeon-schaarbeweging maakten. Ten slotte werd de race goedgekeurd omdat het Nederlandsche reglement geen bepalingen bevat aangaande de beenslag.’

Het waterpoloteam van Hans Maier (uiterst links zittend op het muurtje). Foto (anoniem) gepubliceerd in: Velthuis, Rob. ‘Hans Maier (1916-2018) liep nooit buiten de lijntjes en wilde na zijn honderdste verjaardag nog altijd de wereld verbeteren.’ Online Trouw, ‘Naschrift’(14 januari 2019).

Vanwege de discussies over zijn beenslag wordt Hans niet opgenomen in officiële selecties. Als hij in april 1936 het Nederlands record met vier seconden verbetert, schrijft De Revue der Sporten: ‘[A]ls dit schoolslag is, waar ligt dan de grens?’ Maar dat deert hem niet. Sterker nog, de stuwing van zijn achterbenen stelt hem in staat bijzonder hoog uit het water te springen en zo komt hij tot waterpolo. Dat is in 1935, als hij net aan zijn studie Economie in Amsterdam is begonnen. Het is snel gegaan – naar de normen van latere tijden bizar snel. Zijn studievriendje Piet Metman, ook een ‘Indische’ zwemmer bij Het Y, vroeg hem om lid te worden van zijn zwemclub, en Hans dacht: nou ja, vooruit, en zo werd hij lid.

Als wedstrijdzwemmer werd Hans vanzelf ingedeeld in een waterpoloteam. Hij start bescheiden in het derde team, en daar is hij nog niet begonnen of de pas benoemde coach Frans Kuyper selecteert hem in het najaar van 1935 voor de nationale selectie. Die jongen met dat hoge voorhoofd en dat blonde golvende haar, moet Kuyper hebben gedacht, die heeft iets bijzonders. Dat klopt ook, weinigen kunnen wat rechtsbuiten Hans Maier kan: met zijn beenstuwing er pijlsnel vandoor gaan met de bal om vervolgens als een dolfijn uit het water te springen en de bal langs – of over – de graaiende handen van zijn tegenstanders naar de spits te gooien. Zo bereidt hij het ene na het andere doelpunt voor.

In de wintermaanden van 1935-1936 traint Hans twee keer per week met de nationale uitverkorenen in het Sportfondsenbad in Amsterdam-Oost, waar ook zijn club Het Y gevestigd is. Zo wordt hij steeds beter. Hij geniet van de serieuze aanpak van Kuyper, de eerste trainer met doordachte trainingsmethoden en verstand van moderne tactiek. Intussen blijft Hans meedoen aan het snelzwemmen en ondanks een enkele diskwalificatie vanwege zijn rare beenslag bezorgt hij Het Y veel overwinningen op de schoolslag.

Naar de Spelen
Het nationale waterpoloteam wordt ingeschreven voor de Olympische Spelen en Hans Maier wordt gevraagd of hij mee wil. Ja, natuurlijk wil hij mee. De mogelijkheid om te weigeren komt niet eens in hem op. Meedoen aan de Olympische Spelen is een voorrecht, een unieke kans om een onderdeel te zijn van het grootste sportevenement op aarde. Net als veel andere sporten kent waterpolo nog geen wereldkampioenschappen (wel Europese). Dat maakt de Spelen extra bijzonder en je moet wel gek zijn om zoiets te laten lopen, vindt hij, ook al is het toernooi dan in nazi-Duitsland.

Het Nederlandse waterpoloteam tijdens de Olympische Spelen in Berlijn. Staand, van links naar rechts: Hans Stam, Hans Maier, Soesoe van Oostrum Soede, Frans Kuyper, Lex Franken en Kees van Aelst. Hurkend: Jan van Heteren, Rudie den Hamer, Herman Veenstra, Gerard Regter en Joop van Woerkom. Foto: Archief Ton Bijkerk.

Met die houding zou je Hans Maier de gemiddelde deelnemer aan de Spelen in Berlijn kunnen noemen. Goud zal hij zeker niet winnen – Hongarije wordt toch altijd eerste bij waterpolo –, maar hij beschouwt de sportbeoefening als een uitgelezen manier om nog meer van de wereld te zien dan hij al deed als lid van een reislustig gezin. Maier is gewoon een van de 128 Nederlandse atleten die uiteindelijk naar Berlijn zullen gaan, niet meer en niet minder. Een aardige jongen met goede manieren die zich in de relatie tussen sport en politiek maar nauwelijks verdiept.

Met een beetje fantasie zou je hem zelfs de gemiddelde Nederlander van de jaren dertig kunnen noemen, of in ieder geval de gemiddelde student van de jaren dertig. De kranten leest hij niet aandachtig en daardoor gaat het meeste van de alarmerende teksten over het vernederen van de Joden aan hem voorbij. En omdat zijn ouders niet Joods zijn en niet opgenomen in de socialistische zuil, weet hij weinig van discussies over de Olympische Spelen. Hem is gevraagd om mee te gaan naar Berlijn en hij zei ja, simpel.

Veel waterpolo, geen extremisme
Nederland is verzuild, een beetje bedaagd, conservatief en nogal naar binnen gekeerd. Zo is Hans Maier ook. Als gezonde Hollandse jongen wil hij naast zijn studie economie een gezellig leven hebben met bier, als het even kan met een meisje en zeker niet met politiek. De meeste studenten vinden politiek maar burgerlijk, iets voor later, als ze uitgeraasd zijn en klaar voor een carrière in de grotemensenmaatschappij. Dan zullen ze als kinderen van de bovenlaag vast wel interesses ontwikkelen voor de aanpak van de economische crisis of het gekrakeel in de Volkenbond. Nu nog niet. Lollig is de norm, en waterpolo, veel waterpolo.

Als ware Nederlander moet Hans niets hebben van extremisme. Zo kent hij bijvoorbeeld Menno ter Braak als de spraakmakende intellectueel die zich opwindt over het nationaalsocialisme – misschien een goede kerel, maar om je nou aan te sluiten bij iemand die communisten aantrekt, die dus eigenlijk Moskou binnenhaalt, het gevreesde Moskou met zijn agressie en dictatuur en verkondiging van de wereldrevolutie, nou nee. Aan de andere kant ziet Hans links en rechts NSB’ers door de straten van Amsterdam gaan, leden van de Jeugdstorm in van die pittige lichtblauwe pakjes. Daar denkt hij ongeveer hetzelfde over als over Ter Braak en de andere rode stemmingmakers: het lijkt hem niet zuiver, niet democratisch.

Net als de meeste andere Nederlanders wil Hans in de eerste plaats vrede. Alles moet worden gedaan om ervoor te zorgen dat het kwetsbare handelsland buiten het internationaal strijdgewoel blijft: dat hoef je de economiestudent Hans Maier niet te vertellen, zelfs al besteedt hij eigenlijk te veel tijd aan waterpolo. Als een ware Nederlander is hij gesteld op redelijkheid en overleg en daarom hoopt hij dat zijn land, net als tijdens de Eerste Wereldoorlog, zo lang mogelijk een neutrale koers blijft varen, want rustig aan, dan breekt het lijntje niet. Nederland kan maar het beste iedereen te vriend houden en om te beginnen het grote buurland. Sinds de troonsbestijging van Hitler dreigt Duitsland in ieder geval niet meer ten onder te gaan aan chaos en anarchie, waar het lang naar uitzag, en dat is ook wat waard. Rust in Duitsland betekent minder kans op onrust in eigen land en meer kans op een bloeiende export. Aldus verliest Maiers bezorgdheid over de triomf van de nazidictatuur het van de opluchting over de nederlaag van de communisten. Daar staat hij niet alleen in.

Hans Maier – uiterst links – in waterpoloactie. Foto (anoniem) gepubliceerd in: Velthuis, Rob. ‘Hans Maier (1916-2018) liep nooit buiten de lijntjes en wilde na zijn honderdste verjaardag nog altijd de wereld verbeteren.’ Online Trouw, ‘Naschrift’ (14 januari 2019).

Ambtenaren in Indië
Over de Joden maakt Hans zich niet overdreven druk en ook dat maakt Hans tot een kind van zijn tijd. Hij is zo trots op het reusachtige Indië dat hij behept is met, zoals hij later zal zeggen, verhevenheidsgevoelens. Piet Metman, zijn teamgenoot die hem naar Het Y heeft gelokt, zegt wel eens: ‘Nederlands-Indië is óns land!’ en zo voelt Hans het ook. Een betrekkelijk klein gezelschap ambtenaren speelt het klaar om een gebied zo groot als Ierland tot de Oeral in bedwang te houden en tot ontwikkeling te brengen. De inlanders worden gezien als kinderen die opgevoed moeten worden, bekeerd tot het christendom, veranderd in actieve wezens die weten wat hygiëne en harmonie is. En dat lukt allemaal dankzij slim organiseren en dankzij, vinden velen met Hans Maier, een goed moreel kompas.

Als officier in de Indische infanterie herstelde de vader van Hans meer dan eens de vrede tussen ruziemakende kampongs, gewoon door er met een peloton Indonesische of Ambonese soldaten naartoe te gaan en te zeggen: nou jongens, geen gedonder meer, je ziet hier de vlag van de company en die waakt over jullie. En als jullie gesodemieter hebben dan kom je naar mij toe, maar niet vechten met elkaar! Later werd zijn vader cartograaf en ook dat werk verrichtte hij met toewijding en precisie. De slimme, verstandige, pragmatische ambtenaren hadden een enorme verantwoordelijkheid voor dat grote land en daarom zijn er bruggen en gebouwen van steen gekomen. Het is er warmer, spannender en mysterieuzer dan in Holland en dankzij de bloeiende suikerindustrie vormt het ook nog een fantastische bron van inkomsten.

Zo ging dat in de herinnering van Hans en met dat beeld van zijn vader woont hij als student op kamers in Amsterdam: het beeld van een kerel van orde en stavast in een kolonie waarover Nederland heerst met een natuurlijk gezag. Op Java kwam het nooit zover dat Hans een inlander op zijn plaats moest zetten: iedereen kénde gewoon z’n plaats. De vijf personeelsleden dweilden het huis, ze kookten en serveerden het eten, en de baboe deed de was. En dan was er ook nog een tuinman en een chauffeur en zo kwamen de verhevenheidsgevoelens vanzelf in hem naar boven, zonder kwade bedoelingen of ideeën van onrecht. Hans stond iets boven de inlanders, en eenmaal in Nederland is hij de Indische jongen die iets boven de Hollanders staat. Het Indische zie je niet aan hem af. In vier generaties is er in de hele familie maar één familielid getrouwd met een inlandse; het Indische zit van binnen.

Hans Maier, die op 11 juli 2016 zijn honderdste verjaardag vierde. Foto: NOC*NSF. Bron: Journal of Olympic History 24, nr. 2: 52 (met dank aan Volker Kluge).

De keeper van Het Y
Hans droomt ervan om consul te worden in Nederlands- Indië. Verhalen over de consul van Hongkong hebben zijn fantasie op hol gebracht en dat wil hij ook, belangrijk en verheven zijn in een exotisch land vol mensen die hun plaats kennen, iets tot stand brengen in de tropen.

De verhevenheid in blonde Hans draagt ertoe bij dat hij niet merkt dat er Joden uit zijn leven verdwijnen. Zomaar, van de ene dag op de andere blijft een Jood weg uit het Sportfondsenbad en Hans traint verder alsof er niets aan de hand is – voor de Jood een ander.

Zo vergaat het Hans Paerl, de keeper van Het Y. Voor Hans Maier is Paerl degene die de ballen uit het doel moet houden, klaar. Dat doet Paerl bijzonder knap. Zowel bij de club als bij het Nederlands team profiteert hij van zijn lange armen, en daarom zou je zeggen dat Maier hem goed kent. Dat is niet zo. In teamsporten is het eenvoudig langs elkaar heen te leven en bovendien is Paerl introvert, eigenzinnig, artistiek, Joods.

Hans Maier weet best dat Paerl een Jood is, maar ja, dat zijn de trainer en de voorzitter van Het Y ook. De eerste, Fritz Grossman, kent hij als een Duitse vluchteling die doodsbang is voor wat er in zijn geboorteland allemaal gebeurt en de tweede, Gérard Blitz, kent hij als de beminnelijke clubman die voor iedereen klaar staat. Maar enige belangstelling voor de achtergronden van deze Joden heeft Hans Maier niet. Hij vraagt het zich wel eens af: wat zijn nou Joden? Een volk, een religie, een verjaagde stam uit het Midden-Oosten? Hans kan het niet precies zeggen, de onduidelijkheid omtrent de Joden maakt alleen dat hij ze als, nou ja, anders beschouwt, als iets onduidelijks dat je op een afstand houdt.

De spot ermee te drijven is dan veel eenvoudiger voor een gezonde Hollandse jongen dan je erin te verdiepen. Op de universiteit gaan Jodenmoppen rond, van: ‘Er was eens een grote bijeenkomst waar Hitler het woord zou voeren. Die kerel sprak zo verdomde goed dat twee Jodenjongens op de voorste rij zeiden: Heraus mit uns! Na zulke moppen lacht Hans mee met de rest van het dispuut, want humor is belangrijker dan engagement. En zo kan het gebeuren dat hij enkele jaren later op reis is met een sportploeg, en dat hij samen met de rest een teamgenoot voor gek zet bij de Duitse grens onder het motto: ‘Hé, Bloemendal, jou moeten ze hebben, jouw achternaam klinkt als Blumenthal – dat is een joodse naam.’

Decennia later zal Hans dat wonderlijk van zichzelf vinden, misplaatst, naïef op zijn minst. Nu, midden jaren dertig, vindt hij het normaal: hij weet niet beter. Zodoende haalt hij zijn schouders op als doelman Paerl wordt vervangen door een ander die de ballen moet tegenhouden. Maier hoort van de trainer dat doelman Paerl afvalt voor de Olympische Spelen en hij denkt: nou ja, we hebben nu een ander.

Afkomstig uit

Geen reactie's

Geef een reactie