Sport
DATERING EN ACCEPTATIE VAN HET WOORD ‘SPORT' IN HET NEDERLANDS
Tot voor kort werd algemeen aangenomen dat de oudste vindplaats van het woord ‘sport' in het Nederlands uit 1866 dateert. Het gaat om een tekst van ds Simon Gorter, de vader van de dichter (en ook cricketer/voetballer/enz.) Herman Gorter. Het materiaal van het Instituut voor Lexicografie in Leiden bevat nog steeds geen oudere bewijsplaatsen en ook bijvoorbeeld Maarten van Bottenburg houdt het in zijn proefschrift (editie 1994) op 1866. Ik citeer nu de betreffende ‘sportpassage' van Simon Gorter naar Maarten van Bottenburg: ‘'Wij hebben ze thans ook in onze duinen, die Engelschen, maar ik zou hun naam toch niet gaarne op 't allerhoogste van den climax der aardsche ongemakken plaatsen; integendeel-Daar kwamen zij met den winter opzetten, de trekvogels van nature; op groten afstand en zonder moeite herkenbaar aan ... iets dat onuitwischbaar Engelsch is. Let eens op die kloeke opgeschoten mannen door sport ontwikkeld.'[i] Nu heeft Theo Stevens er in 2004 op gewezen dat het woord al in 1864 wordt genoemd, namelijk in het Nieuw Woordenboek der Nederlandsche Taal van I.M. Calisch en N.S. Calisch. ‘Voor deze auteurs geldt het wel als een ‘vreemd' woord, namelijk van Engelse origine', aldus Stevens.[ii]
Ook bij Gorter is de vreemde herkomst van het woord ‘sport' duidelijk: hij gebruikt het immers in relatie tot ‘Engelschen' resp. ‘Engelsch'. Het woord mag dan op zichzelf van Frans/Latijnse herkomst zijn, in de betekenis van ‘verstrooien' [= (zich) vermaken][iii] , het is in de 19de eeuw bij ons bekend geworden in de context van Engelse sporten. Ik heb daarvan een tijdje geleden een overtuigend ander en nog ouder voorbeeld gevonden, namelijk uit 1848. Het gaat om een in dat jaar in het Nederlands gepubliceerd artikel over cricket in Het Leeskabinet. Mengelwerk tot gezellig onderhoud voor beschaafde kringen. Derde deel. Amsterdam. Ik citeer[iv]: ‘Maar het cricket is ook een spel, waaraan zich zoowel de eerste lord als de armste werkman kan verlustigen, en het heeft daarbij boven alle overige Engelsche sports (vermakelijkheden) nog dit voor, dat het zich minder voor zulke ontzettende weddingschappen schikt, als waarvan de Engelschen liefhebbers zijn, dewijl het niet in weinige minuten beslist is, maar dikwijls dagen lang duurt.'
Ik had nog maar enkele maanden voor mezelf de introductie van het woord ‘sport' in het Nederlands teruggebracht van 1864 tot 1848 of ik moest mijn archief bijwerken toen ik begin december mijn uitkomsten voor commentaar doorgaf aan collega Siemon Reker en oud-collega Jan Posthumus.* Hun zoektocht in hun (rijke) woordenboekcollecties leverde resultaat op. In Kramers Algemeene Kunstwoordentolk, bevattende de vertaling en verklaring van alle vreemde woorden en zegswijzen, die in geschriften van allerlei aard, in de taal der Zamenleving, in handel, bedrijf enz. voorkomen van 1847 (!) is het woord ‘sport' al opgenomen. Het staat omschreven als: ‘spel, scherts, grap, uitspanning, tijdverdrijf, kortswijl; landelijk vermaak, veldvermaak, inz[onderheid] alle ligchaamsoefeningen en uitspanningen, die vaardigheid , kracht en stoutheid vorderen, als: paardenwedloopen of harddaverijen, jagt, wedloopen, wedstrijden van allerlei aard.'
Minder spectaculair misschien dan het opdelven van nog oudere vermeldingen, maar minstens zo interessant, is het onderzoek naar de acceptatie van het begrip ‘sport' in de beginperiode. De uitkomsten daarvan zijn niet alleen van taalkundig belang, maar ze kunnen ook bijdragen tot onze beeldvorming over de acceptatie van de activiteiten die onder ‘sport' kunnen worden verstaan. Het citaat uit 1847 geeft meteen al aanleiding tot kanttekeningen. Er zijn twee hoofdgroepen binnen de betekenisomschrijving uit 1847 te onderscheiden: ‘plezier'/ ‘(geestelijk) vermaak'/'grap' naast fysieke (wedstrijd-)activiteiten. Beide vallen onder de oorspronkelijke betekenis ‘verstrooien' (‘disportare'). Hoe is de auteur tot zijn beschrijving gekomen? Als die teruggaat op het levend Nederlands van zijn tijd, zou de conclusie kunnen zijn dat het woord ‘sport', hoewel dus een ‘vreemd woord', door zijn verschillende semantische specificaties al een zekere bekendheid had. Ik sluit, zeker ook gezien de ondertitel van de Kunstwoordentolk, evenwel bepaald niet uit dat de auteur te rade is gegaan bij schriftelijke bronnen, zoals Engelse woordenboeken. Nader onderzoek zal duidelijkheid over een en ander moeten geven.
Wat mij nog meer aan de bekendheid al in 1847 van het woord ‘sport' heeft doen twijfelen, is een latere omschrijving ervan in een bron die een gecomprimeerde vorm is van de Algemeene Kunstwoordentolk, namelijk Kramers' Woordentolk Verkort [...]. Die verscheen voor het eerst in 1851 en er zouden nog vele herdrukken volgen (die deels nog moeten worden opgespoord). Interessant is dat (in ieder geval) in de uitgave van 1865 de uitspraak van ‘sport' als ‘spoort' staat genoteerd. Het ligt voor de hand om daarin een poging te zien de Engelse (gerekte) uitspraak van de klinker weer te geven. Die interpretatie zou dus aangeven dat ‘sport' nog in 1865 door de samensteller als een vreemd woord wordt aangevoeld. De voorgaande uitkomst is in overeenstemming met de andere door mij geciteerde bronnen. We hebben al gezien dat Calisch en Calisch (1864) aangeven dat het woord van Engelse origine is. Het citaat uit Het Leeskabinet (1848) past in dat beeld. Daarin gebruikt de auteur niet de Nederlandse meervoudsvorm ‘sporten', maar de Engelse pluralis ‘sports', waarmee hij extra lijkt te willen benadrukken dat het op dat moment nog een vreemd woord betreft. Het uitheemse karakter komt ook tot uiting in de cursivering (net zoals van ‘cricket' en andere termen uit het spel). Om eventuele onduidelijkheden te voorkomen, licht de schrijver het woord bovendien nog eens toe door er ‘vermakelijkheden' achter te zetten. Dat begrip was wel bekend in het Nederlands.[v]
Wanneer werd het woord ‘sport' dan wel als (min of meer) eigen aan het Nederlands gevoeld? Ik ga er op grond van voorgaande overwegingen vanuit het in de periode 1847-1865 nog als vreemd moet zijn beschouwd en dat lijkt eveneens te gelden voor 1866: ook Simon Gorter cursiveert het woord. Het is bovendien aannemelijk dat het ook niet onmiddellijk na 1866 ingeburgerd was. Een bewijs daarvoor vormen de tweede en derde druk van het woordenboek van Calisch en Calisch, die in 1872 resp. 1884 onder de later zo bekend geworden naam Van Dale verschijnen. Daarin geldt ‘sport' als een ‘Engelsch woord', m.a.w. nog steeds als vreemd.[vi]
Verrassenderwijze kan het Fries ons in eerste instantie misschien een beetje verder helpen. In 1897 publiceert Nanne R. Kuperus in die taal een 56-regelig lang (kreupel)gedicht onder de titel ‘Sport'. Het is vanaf het begin duidelijk dat hij niets van het woord (en de daaronder vallende activiteiten) moet hebben. Ik geef ter illustratie (in vertaling) een aantal woorden en passages uit Kuperus' gedicht. Het ‘vreemde' woord ‘sport' is ‘van Britse' herkomst', en hoewel het ‘heel deftig en voornaam klinkt', is het ‘in een stinkend nest uitgebroed', dus, zo vermaant hij zijn lezers, ‘kijk er niet te hoog bij op'. Echte sporten zijn bijvoorbeeld langebaanschaatsen, kaatsen, touwtrekken, zeilen en boksen. De schrijver had zich misschien minder opgewonden als de term ‘de laatste tijd' niet door ‘bijna iedereen' werd gebruikt.[vii] Als we hem op zijn woord mogen geloven - maar we moeten gezien zijn ergernis, rekening houden met een zekere mate van overdrijving - zou het begrip ‘sport' dus aan het eind van de 19de eeuw in het Fries al (tamelijk) ingeburgerd zijn.[viii]
Hoe zit het in die tijd in het Nederlands? In de eerste druk van Koenens Handwoordenboek, toevallig ook uit 1897, staat het woord zonder verder commentaar.Wel bevat de ‘Nalezing' (p. 312-317) maar liefst negen woorden in relatie tot ‘sport', bijvoorbeeld: ‘safety', ‘spurt', ‘sprinter' ‘start' en ‘stayer'.[ix] Natuurlijk is de Engelse herkomst ervan onmiddellijk duidelijk, maar het feit dat ze zijn opgenomen, wijst op acceptatie ervan.
Die uitkomst is met het oog op de hiervoor geschetste, toenmalige positie van het woord in het Fries niet zo verwonderlijk: de moderne Engelse sporten zijn in de tweede helft van de 19de eeuw immers via het Nederlandstalige gebied (met name het westen van ons land) en niet via het Friestalige gebied tot ons gekomen. We zouden daarom voorzichtig kunnen concluderen dat het woord ‘sport' tegen het einde van de 19de eeuw in het Nederlands al (redelijk) gewoon zal zijn geweest.[x] Het zoeken naar meer vindplaatsen uit die tijd is evenwel beslist nodig om het beeld scherper te maken en eventueel te nuanceren.[xi] Ik heb tenslotte in korte tijd al veel nieuwe informatie kunnen vinden. En intussen blijft het uiteraard mogelijk dat er een nog oudere vindplaats dan 1847 opduikt. Spannend!
* Ik bedank hen ook hartelijk voor hun snelle, bruikbare én stimulerende reacties op een concept-versie van dit artikel en het aandragen van aanvullend materiaal.
De Sportwereld nr. 38/39 - december 2005 Pieter Breuker
--------------------------------------------------------------------------------
[i] Maarten van Bottenburg. Verborgen competitie; over de uiteenlopende populariteit van sporten. Amsterdam, 1994, p. 139. De betreffende passage is (o.a) te vinden in: Simon Gorter. Letterkundige Studiën. Amsterdam, 1891.
[ii] Theo Stevens. ‘Vroege Nederlandse sportgeschiedenis in vogelvlucht'. In: Pieter Breuker en Wio Joustra (red.). Sporthistorie tussen feit en mythe. Leeuwarden, 2004, p. 34.
[iii] Van de vele verwijzingen naar de juiste etymologie noem ik: Marcel Smet en Paul Van de Velde. Nieuwe Encyclopedie van de Sport. Brugge/Utrecht, 1963: ‘sport [...] v[an] E[ngelsch] disport, later sport uit het F[rans] desporter van het Latijn disportare, verstrooien' [dus ‘ontspannen', ‘zich vermaken'].
[iv] Naar: Jacques van Gent. Het cricketspel. Proeve van een duidelijk en volkomen denkbeeld. Leiden, 1995, p. 11. [heruitgave van 1848].
[v] Het oudste ‘complete' ‘sportboek' voor Nederland, geschreven door Jan ter Gouw, verscheen in 1871 te Haarlem onder de veelzeggende titel: De Volksvermaken. Het woord ‘sport' komt niet in de tekst voor, maar dat is misschien minder opmerkelijk dan het lijkt: Ter Gouw beperkt zich tot de traditionele volksvermaken, hij beschrijft ‘ook allerlei oude gebruiken, waarbij gezongen en gesprongen, en natuurlijk ook gegeten en gedronken wordt; alle spel van ouden en jongen; elke traditioneele volkspret' (‘Inleiding' p. 1). De enkele vreemde begrippen in zijn boek geeft ook Ter Gouw gecursiveerd weer.
[vi] Sport wordt dan, naast ‘grap', gedefinieerd als ‘uitspanning (inz[onderheid] van jagen' resp. ‘uitspanning die vaardigheid en kracht vordert (inz. het jagen, wedloopen, paardenwedrennen)'.
[vii] In: Pieter Breuker. Boppe! In blomlêzing út de Fryske keatsliteratuer. Drachten/Ljouwert 1987, p. 18-19.
[viii] Toch verraadt het woord voor taalkundigen ook nu nog zijn vreemde herkomst. Het wordt uitgesproken als /sport/, met realisatie van de ‘r', terwijl in oorspronkelijk Friese woorden de ‘r' in die positie stom is, zoals in ‘burd' (‘baard'), ‘hert' (‘hart') en ‘wart' (‘wrat'). De verfrieste uitspraak geldt ook voor oude leenwoorden (vaak uit het Frans/Latijn), bijvoorbeeld ‘part'/pat/ (Ned. ‘part').
[ix] Het reguliere (alfabetische) deel van het woordenboek bevat dan nog geen samenstellingen of afleidingen met ‘sport'. Die komen eerst (vanaf 1903) mondjesmaat voor, maar gaandeweg (vanaf ± 1940) steeds meer. Zie: Siemon Reker. ‘Van polkakoekjes en estafettenlopen - Koenen als spiegel van taal, samenleving en woordenboekenmakers'. In: Jan Posthumus, Siemon Reker en Arie du Ru. Honderd jaar Koenen. Utrecht/Antwerpen, 1997, p. 49-52.
[x] Die (voorlopige) conclusie hoeft niet te betekenen dat de acceptatie aan het eind van de 19de eeuw voor iedereen geldt. Zo moeten we in ieder geval onderscheid maken tussen ‘vreemd' qua herkomst en ‘vreemd' qua beleving. (En puristen kunnen een woord heel lang ‘vreemd' vinden!)
[xi] Het onderzoek zal zich niet eenzijdig moeten richten op woordenboeken. Ook tijdschriften, kranten en literaire bronnen moeten erin worden betrokken. Dat maakt het onderzoek niet heel gemakkelijk want tijdrovend. Wanneer eenmaal ‘alle' teksten zullen zijn gescand, zal de zoektocht zoveel gemakkelijker verlopen.
