Boksen
Boksen werd tot niet eens zo heel lang geleden geschreven met een x: boxen. Het is een Engels werkwoord, afgeleid van het zelfstandig naamwoord box ‘slag’ of ‘stoot’. Box zelf is een woord als ons woord bof voor de ziekte waarbij de kaak opzwelt: zowel box als bof zijn klaknabootsend, ze geven het geluid van een klap of stoot weer. Het hondenras dat zijn naam dankt aan de menselijke boksers, heeft nog steeds de x in zijn naam, de boxer. En dat heeft natuurlijk alles te maken met zijn karakteristieke kop en niet, zoals foutief vermeld in het etymologisch woordenboek van Van Dale, met de manier van vechten van de hond. Heeft iemand ooit een boxer met voor- of achterpoten een andere hond te lijf zien gaan?
Boksen is een sport waarbij gewichtsklassen een rol spelen, je kunt moeilijk van een eerlijk gevecht spreken als een onderdeurtje van 60 kilo het op moet nemen tegen een reus van 100 kilo. Tussen de vlieggewichten en de vedergewichten delen de bantamgewichten hun uppercuts uit: mannetjes die meer dan 50.802 kilo en minder dan 53.524 kilo wegen. (De gewichtsindeling is Engels, en omdat Engelsen heel eigengereid en dwars zijn (denk maar aan de mijlen en voeten en het links rijden en het wèl meedoen aan de EU, maar niet aan de €) kon het niet gewoon 50 en 53 kilo zijn.) Bantam is een streek op Java en vanuit die streek werd in de 18e eeuw een klein soort kippen naar Europa vervoerd. De Engelsen noemden die kippetjes bantams. Hoewel klein, waren ze absoluut niet angstig uitgevallen en ze werden regelmatig ingezet bij hanengevechten. Opvliegende Engelse mannetjes werden om die reden ook wel bantams genoemd. In de tweede helft van de 19e eeuw werden er regels opgesteld voor de bokssport. Uit die tijd dateert ook de indeling in gewichtsklassen en voor de lichte ‘haantjes’ had de Engelse taal al een zeer toepasselijke term klaarliggen.
De Sportwereld nr. 16 - oktober 1999 Gerbrand Bakker


