Auto’s en motoren
Ik kreeg een e-mail van de hoofdredactrice van De Sportwereld: "Het komende nummer gaat over autosport en motorsport, daarover mag je dus de etymologie achterhalen." Zo gaat dat. En ik dacht: auto's en motoren, wat moet ik daarmee? Ook dacht ik: sport? Waar dan? Die laatste vraag kon ik snel oplossen: sport is een woord dat via het Engels uit het Frans tot ons gekomen is. Desport betekent ‘ontspanning' of ‘vermaak', afgeleid van het werkwoord se desporter ‘zich ontspannen'. Mijn beeld van sport (zweten, afzien, pijn, lichamelijke inspanning) klopt niet helemaal. Ook in een auto of op een motor rondscheuren is sport, net als schaken, dammen en go.
Autosport betekent letterlijk ‘zelfontspanning' of ‘zelfvermaak'. Auto is namelijk een afkorting van automobiel: het Griekse autos- ‘zelf' en het Latijnse mobilis ‘beweegbaar'. Een automobiel is een voertuig dat zichzelf voortbeweegt. Waarom automobiel tot auto is geworden, is mij een groot raadsel. De Denen noemen een auto een bilen en dat vind ik persoonlijk een veel toepasselijker verkorting. Een voertuig dat zichzelf voortbeweegt, daar is niks aan, en daarom is er de autosport: coureurs doen er alles aan om eerder bij de finish aan te komen dan andere coureurs, zowel door het gebruik van gaspedaal, koppeling en remmen, als door sluw inhalen en tactisch rijden. In de vorige zin - zo krijg ik dit stukje wel geschreven - komt het woord coureur voor. Van het Franse werkwoord courir, ‘lopen', afkomstig van het Latijnse werkwoord currere, met dezelfde betekenis. Vreemd, vooral als je nagaat dat krant (courant) en koerier eveneens afgeleid zijn van courir. Dat maakt de zin "De coureur reed als een krant tijdens de grand prix van Monaco" in een krantenverslag bijzonder gecompliceerd, etymologisch gezien. Denk trouwens in dit verband ook aan het Engelse car, dat weliswaar een Keltische oorsprong heeft, maar Indogermaans verwant is aan het Latijnse currere.
Een motor heet misschien wel een motor omdat je er óp zit, terwijl een automotor ín de auto zit. De motor is de ‘beweger', van het Franse moteur, van het Laat-Latijnse motor, afgeleid van het werkwoord movere ‘in beweging brengen'. Ineens valt me nog een boeiend autosportwoord in: pits, en dan vooral in de samenstelling pitspoes: "mooie, jonge vrouw die zich in de buurt van de pits ophoudt en bij het wereldje van de coureurs behoort", zegt de Dikke van Dale, die je verder weinig op ironische omschrijvingen kunt betrappen. Dat vinden wij Nederlanders leuk, van die allitererende samenstellingen maken. Pits is het meervoud van het Engelse pit. Een pit is een ‘put', maar vooral ook de ‘smeerkuil' in een autowerkplaats. Een aantal smeerkuilen samen vormt dus de pits, waarin zich dan de poezen ‘ophouden'. Wat ze er precies doen, is onduidelijk, maar ik geloof dat dat juist de charme van de pitspoezen is.
Om deze etymologieaflevering toch nog enige body te geven, wil ik het tot slot over de TT in Assen hebben. Iedereen kent het woord TT, maar ik ga er voor het gemak van uit dat vrijwel niemand weet waar die twee letters voor staan. Het is dan wel geen etymologie, maar toch. TT staat voor Tourist Trophy, een wegwedstrijd voor tourmotoren die op het eiland Man in 1907 voor het eerst werd gehouden. Alleen Assen en het eiland Man voeren - nog - de naam TT, alle andere motorwegwedstrijden worden aangeduid met Grand Prix.
De Sportwereld nr. 28 - september 2002 Gerbrand Bakker

